Het ontstaan van de vrije heerlijkheid Ameland: verschil tussen versies
| Regel 802: | Regel 802: | ||
dat se selff n.... ghe al argelist en de nye fundenisse wt seid in disse vorser, forwerth | dat se selff n.... ghe al argelist en de nye fundenisse wt seid in disse vorser, forwerth | ||
b In een weerheit des briewes so habb[a wy Peter Kamm | b In een weerheit des briewes so habb[a wy Peter Kamm]yngha Menna en de Gherieth | ||
vors. deytingis liode wse sighelen oen spacium des briewes hwentzen En de wy .... | vors. deytingis liode wse sighelen oen spacium des briewes hwentzen En de wy .... | ||
Doyngha vors. habbet ws sighelen hier mey on spacium des briewes hwentzen Ende | Doyngha vors. habbet ws sighelen hier mey on spacium des briewes hwentzen Ende | ||
Versie van 25 dec 2025 13:35
Hoofdstuk 1 – Ameland vóór en tijdens de opkomst van de Jelmera’s
Dit hoofdstuk beschrijft de bestuurlijke en juridische situatie van Ameland vóór het optreden van individuele hoofdelingen, en reconstrueert vervolgens de omstandigheden waaronder Ritske Jelmera en zijn familie zich tot machthebbers op het eiland konden ontwikkelen. Daarbij wordt nadrukkelijk onderscheid gemaakt tussen contemporaine bronnen en latere historiografische interpretaties.
1.1 Ameland vóór de hoofdelingen (tot ca. 1405)
Tot ver in de veertiende eeuw kende Ameland geen centraal bestuur onder één hoofdeling. In de oudste bekende oorkonden wordt het eiland vertegenwoordigd door collectieve aanduidingen als die goede luden van Aemlant. Dit wijst op een bestuurlijke structuur waarin de afzonderlijke dorpen – vermoedelijk via burgemeesters en volmachten – gezamenlijk optraden, zonder dat sprake was van een erfelijke heer.
In 1396 sloot hertog Albrecht van Beieren een overeenkomst met de vertegenwoordigers van Ameland, waarin wederzijdse vrede en neutraliteit werden vastgelegd. De formulering van deze overeenkomst laat zien dat de hertog zich richtte tot de gemeenschap als geheel, niet tot een individuele machthebber.[1]
Vergelijkbare bevestigingen van neutraliteit en vrijgeleide volgden in 1404 en 1405 [2]. Ook hierin blijft de collectieve aanduiding van de Amelanders gehandhaafd. Deze bronnen maken aannemelijk dat Ameland rond 1400 geen hoofdeling kende die het eiland als persoonlijk machtsgebied bestuurde. Daarbij dient te worden opgemerkt dat graaf Albrecht van Beieren in 1398 de heerlijkheden Ameland en De Bilt toekende aan Arend van Egmond [3], als beloning voor diens militaire steun. In de contemporaine bronnen uit 1396, 1404 en 1405 treedt Van Egmond echter niet op als vertegenwoordiger of bestuurder van Ameland. Dit wijst erop dat deze heerlijkheid in de praktijk geen feitelijke uitwerking heeft gehad.
In 1404 overleed Albrecht, en zijn zoon Willem VI leefde in onmin met Van Egmond. Dat kan verklaren waarom de graaf zich 'de goede luden' van Ameland richtte, en niet tot de door zijn vader aangestelde leenheer.
1.2 De betekenis van 1405: juridisch precedent, geen machtswisseling
Het jaar 1405 wordt in latere historiografie vaak genoemd als een keerpunt in de geschiedenis van Ameland. In contemporaine bronnen betreft het echter geen instelling van een nieuwe heer, maar een herbevestiging van eerdere afspraken over neutraliteit en vrijgeleide.
In latere eeuwen werd een verklaring die aan een landsdag te Hartwerd (1405) werd toegeschreven, door de Cammingha’s gebruikt als juridisch fundament voor de zelfstandige status van Ameland. Deze verklaring is slechts overgeleverd in latere vertalingen en afschriften; het originele stuk is verloren gegaan. Modern onderzoek heeft aannemelijk gemaakt dat de tekstinhoud betrouwbaar is, maar dat met de datering mogelijk is gemanipuleerd om de ouderdom en daarmee het gezag van het document te vergroten.[4]
Het belang van 1405 ligt derhalve niet in de vestiging van een Jelmera- of Cammingha-heerschappij, maar in het ontstaan van een juridisch precedent dat later door opeenvolgende machthebbers strategisch werd ingezet. In 1405 trad er nog geen hoofdeling namens de Amelanders op: zij spraken zelf. Eventuele hoofdelijke machtsvorming op het eiland behoort tot een latere fase en kan niet rechtstreeks aan deze gebeurtenissen worden gekoppeld.
1.3 Veranderingen rond 1420: crisis, heroriëntatie en macht
Secundaire bronnen noemen 1424 als het jaar waarin Ritske op Ameland verscheen, daarmee een bron implicerende. Die heb ik niet kunnen vinden, maar in 1424 is Jacoba van Beieren, kleindochter en erfgenaam van Albrecht, in oorlog met Jan van Brabant, haar tweede ex-man. Mogelijk verklaarde Ameland opnieuw zich afzijdig te houden aan de strijdende partijen, en mogelijk is die verklaring gedaan door Ritske, of iemand die zich heer van Ameland noemde.
In 1428 richt Philips van Bourgondië zich tot de 'heren van Ameland'. [5], wanneer Jacoba is verslagen. Secundaire bronnen melden ook dat Ritske in 1429 optrad als woordvoerder of vertegenwoordiger, mogelijk in een antwoord op die brief.
De eerste decennia van de vijftiende eeuw vormden een periode van ingrijpende veranderingen. De Sint-Elizabethsvloed van 1421 had grote gevolgen voor de Waddenregio, waaronder Ameland. Tegelijkertijd verscherpten de politieke tegenstellingen in Friesland zich, onder meer in het kader van de Schieringer- en Vetkoperstrijd en de bemoeienis van Hollandse en Bourgondische machthebbers.
In deze context lijken zich nieuwe machtsverhoudingen te hebben gevormd. Waar Ameland eerder collectief werd bestuurd, ontstond nu ruimte voor individuele hoofdelingen die hun positie ontleenden aan grondbezit, militaire bescherming en externe connecties. Het is in deze overgangsfase dat leden van de families Jelmera en Cammingha op Ameland verschijnen. Waarom juist Ameland in deze periode aantrekkelijk werd voor Friese elites, en welke politieke spanningen daaraan voorafgingen, wordt in een later hoofdstuk nader onderzocht.
Deze ontwikkelingen vormen geen breuk, maar een overgang: zij markeren het moment waarop externe druk, ecologische ontwrichting en regionale machtsverschuivingen het collectieve bestuursmodel kwetsbaar maakten en ruimte schiepen voor individuele machtsconcentratie.
1.4 Oudere machtsstructuren en aanknopingspunten vóór Ritske Jelmera
Hoewel Ritske Jelmera de eerste persoon is die met zekerheid als zelfstandige machthebber op Ameland kan worden aangewezen, wijzen verschillende aanwijzingen erop dat de wortels van deze positie verder teruggaan. Het betreft hier geen sluitend genealogisch bewijs, maar een samenhang van geografische, juridische en politieke factoren.
Reeds vóór het optreden van Ritske zijn er op Ameland tekenen van:
- afzonderlijke rechtsruimten;
- lokale elites met bezit zowel op het eiland als op het vasteland;
- een bewuste positionering ten opzichte van machtsvorming in Friesland.
In de veertiende eeuw maken delen van Friesland een proces van schaalvergroting en machtsconcentratie door, waarbij hoofdelingen hun positie versterken via oorlog, bondgenootschappen en bezit van stinsen. Ameland lijkt zich in dit proces steeds afzijdig te houden. Dit wijst op een strategie waarbij het eiland zich niet als onderdeel van Friesland presenteert, maar als een eigen rechtsruimte.
Daarnaast zijn er aanwijzingen dat families die later een centrale rol spelen (Jelmera, Camminga, Heringa) reeds vóór 1400 beschikken over:
- landbezit op Ameland;
- connecties met kloosters (zoals Ferwerd/Foswerd);
- verwantschappen met Friese hoofdelingen.
Het is aannemelijk dat deze combinatie van factoren een institutionele continuïteit vormde, waarop Ritske Jelmera kon voortbouwen. In dat licht moet zijn optreden niet worden gezien als een beginpunt, maar als een moment waarop bestaande structuren zichtbaar en juridisch herkenbaar worden.
1.5 Van Jelmera-stins tot Camminghaslot
Rond 1424–1425 werd nabij het huidige Ballum een stenen residentie gebouwd, later bekend als Jelmerastate. Deze bouw markeert een fundamentele verandering: de vestiging van een permanente, versterkte machtszetel op Ameland. De stins fungeerde als centrum van bestuur, rechtspraak en economische controle.
Chronologisch kan deze ontwikkeling als volgt worden samengevat:
- ca. 1424/1425 – bouw van een stenen residentie (Jelmera-stins) op Ameland;
- ca. 1450 – Ritske Jelmera beschikt aantoonbaar over de state en draagt deze over aan zijn nakomelingen;
- tweede helft 15e eeuw – via huwelijk en erfopvolging komt de machtspositie in handen van Hayo, kleinzoon van Ritske;
- vanaf deze periode wordt de naam Cammingha dominant, en raakt de residentie bekend als het Camminghaslot.
Via erfopvolging, huwelijkspolitiek en bestuurlijke consolidatie komt deze machtspositie uiteindelijk terecht bij Hayo Cammingha, die haar weet te legitimeren door erkenning van Bourgondische en later keizerlijke zijde. Daarmee wordt een lokale hoofdelijke machtspositie geleidelijk voorzien van dynastieke en externe legitimatie, een proces dat pas in de tweede helft van de vijftiende eeuw zijn formele beslag krijgt.
1.6 Afbakening en onderzoeksvragen
Dit hoofdstuk laat zien dat de opkomst van de Jelmera’s en later de Cammingha’s niet het gevolg was van één enkel besluit of document, maar van een proces waarin collectief bestuur plaatsmaakte voor hoofdelijke macht. Open vragen blijven onder meer:
- de precieze wijze waarop Jelmera- en Cammingha-bezit op Ameland werd verworven;
- de rol van externe machthebbers bij deze machtsvorming;
- de mate waarin latere bronnen oudere gebeurtenissen hebben hergeïnterpreteerd.
- de vraag of en in hoeverre deze machtsvorming kan worden begrepen als een bewuste strategie van Friese elites, of als een pragmatische reactie op veranderende omstandigheden.
Deze vragen vormen het uitgangspunt voor de volgende hoofdstukken.
Hoofdstuk 2: Parallelle elites en gedeelde belangen (ca. 1390–1458)
2.1 Inleiding: twee families, één machtsveld
De opkomst van hoofdelijke macht op Ameland in de eerste helft van de vijftiende eeuw laat zich niet herleiden tot één enkele persoon of familie. Zowel Ritske Jelmera als leden van de familie Camminga verschijnen in deze periode op het eiland, aanvankelijk zonder duidelijke hiërarchie tussen hen. Pas later, door erfopvolging en huwelijkspolitiek, vloeien deze lijnen samen. Om deze ontwikkeling te begrijpen, is het noodzakelijk beide families niet geïsoleerd, maar als parallel opererende elites te beschouwen.[6]
2.2 De Cammingha’s: beloning voor hertogelijke steun?
Van de familie Camminga is bekend dat zij zich aan het einde van de veertiende eeuw schaarde aan de zijde van de hertog van Beieren. In 1398 werd Gerrit van Cammingha door de graaf van Holland beleend met de stad Leeuwarden en omliggende gebieden, maar ook Ferwerd, een uitzonderlijk teken van vertrouwen en beloning.[7]
Hoewel Ameland in deze periode formeel buiten directe Friese rechtsmacht stond en aanvankelijk collectief werd vertegenwoordigd door de goede luden van Aemlant, is het voorstelbaar dat delen van het eiland of eraan verbonden rechten in dezelfde context als Leeuwarden aan hertoggezinde elites werden toegewezen, daar het klooster te Ferwerd rechten op Ameland had. Dat een belening van Ameland aan Arend van Egmond tussen 1398 en 1409 nauwelijks werd geëffectueerd, laat ruimte voor alternatieve machtsvorming op lokaal niveau.[8]
Uit onderzoek van Noomen[9] blijkt dat Peter Camminga tot de Ferwerder tak van de familie behoorde, een geslacht dat reeds generaties lang regionale machtsposities en goederen bezat. De Ferwerder-tak en de Cammingabuur tak zouden afsplitsingen zijn van familie uit Blija 250 jaar eerder. Blija en Ferwerd liggen naast elkaar, en tegenover Ameland, en behoren tot hetzelfde klooster gebied. Tegen deze achtergrond is het aannemelijk dat Camminga-belang op Ameland voortbouwde op oudere relaties en rechten, ook al ontbreken daarvoor directe schriftelijke getuigenissen. Het testament van Peter Camminga uit 1440, zoon van voornoemde Gerrit, vormt het vroegste expliciete bewijs voor Cammingha-bezit en -belang op Ameland, het is echter aannemelijk dat dat al veel ouder is.
2.3 Jelmera en Unga: een oudere Friese elite
De naam Jelmera behoort ook tot een oudere Friese elite, met wortels in Franekeradeel en omgeving. Ook de naam Unga duikt in deze context op als verwante of parallelle hoofdelingenlijn. Over de precieze herkomst van Ritske Jelmera bestaat geen zekerheid, maar zijn optreden vanaf de jaren 1420 wijst op iemand die reeds vóór zijn vestiging op Ameland over aanzien en netwerk beschikte.[10]
Het is aannemelijk dat ook deze familie — net als de Cammingha’s — zich in de spanningen tussen Friesland en Holland strategisch heeft gepositioneerd. Ameland bood daarbij een unieke combinatie van afstand tot het vasteland, economische mogelijkheden en juridische ambiguïteit.[11]
Hoewel hun banden met Dongjum, en Unga en Donia, erop wijzen dat ze oud zijn en van verder weg komen, zijn zij wel degenen die zich als eerste manifesteren op Ameland.
2.4 Waarom Ritske, en niet Camminga, als woordvoerder?
Een opvallende vraag is waarom Ritske Jelmera in de bronnen verschijnt als vertegenwoordiger of woordvoerder van Ameland, terwijl de Cammingha’s aantoonbaar eveneens aanwezig en invloedrijk waren. Hiervoor zijn meerdere verklaringen denkbaar.
Ritske kan de oudste of meest gevestigde van de twee zijn geweest, of hij kan namens een collectief van belanghebbenden hebben gesproken. Het is ook mogelijk dat hij primair een politiek-juridische rol vervulde, terwijl de Cammingha’s hun machtsbasis vooral in Leeuwarden hadden.[12]
In dat geval fungeerden beide families niet als rivalen, maar als complementaire bondgenoten.
2.5 De alliantie vóór het huwelijk
Het huwelijk van Hayo Jelmera met Dodonea Camminga in 1458 [13] markeert geen plotselinge toenadering, maar lijkt eerder het formele sluitstuk van een al langer bestaande alliantie.
Dat Hayo op dat moment nog niet de primaire erfgenaam van Ameland was, maakt het huwelijk des te betekenisvoller: het verbindt twee machtsposities die reeds decennia naast elkaar bestonden. De latere fusie van Jelmera- en Camminga-erfenissen kan daarom het best worden begrepen als de institutionalisering van een bestaande samenwerking, niet als haar beginpunt.[14]
2.6 Conclusie
In de eerste helft van de vijftiende eeuw ontstaat op Ameland geen geïsoleerde heerschappij, maar een gedeeld eliteveld, waarin Jelmera- en Camminga-belangen parallel lopen. Hun gezamenlijke optreden, vermoedelijk geworteld in hertoggezinde netwerken en bevestigd door bezit, huwelijk en erfopvolging, vormt de voedingsbodem voor de latere dynastieke eenheid. De vraag is niet waarom zij samensmolten, maar hoe zij dat zo lang naast elkaar konden blijven zonder open conflict.[15]
Hoofdstuk 3: Van hoofdeling tot “heer” – Ameland tussen Fries recht en externe erkenning (1428–ca. 1430)
3.1 Inleiding: een titel met twee betekenissen
Wanneer in 1428 in Bourgondische stukken wordt gesproken over de heren van Ameland, lijkt dat op het eerste gezicht te wijzen op een feodale heerlijkheid in klassieke zin. Die lezing is echter misleidend. De betrokken machthebber(s) waren in oorsprong Friese hoofdelingen, geen leenmannen in Hollandse of Bourgondische dienst. De titel “heer” weerspiegelt hier primair een externe, diplomatieke aanduiding, geen interne rechtsverandering.[16]
3.2 De akte van 21 maart 1428
Op 21 maart 1428 bevestigde Philips van Bourgondië, ruwaard van Holland, eerdere brieven van Willem en Jan van Beieren en van Jan van Brabant, gericht aan de heren van Ameland, betreffende vrede, neutraliteit en vrijgeleide door hun gebieden.[17]
Deze akte is van bijzonder belang omdat zij:
- ondubbelzinnig aantoont dat Ameland extern werd benaderd als een territoriale eenheid;
- impliciet veronderstelt dat er een herkenbaar gezag bestond dat het eiland vertegenwoordigde;
- voortbouwt op eerdere neutraliteitsverklaringen uit 1396, 1404 en 1405, toen nog gesloten met de goede luden van Aemlant.[18]
Het verschil is subtiel maar wezenlijk: waar eerder een collectief werd aangesproken, suggereert 1428 een meer geconcentreerde machtsstructuur.
3.3 Hoofdeling, geen leenheer
Ondanks deze externe erkenning bleef de machtsbasis van de Amelander leider Fries van karakter. Zijn gezag berustte niet op leenrecht, maar op:
- bezit van land en rechten;
- controle over een versterkte woonplaats (stins);
- erkenning door lokale elites en verwanten;
- testamentaire erfopvolging, niet feodale successie.[19] [20]
De “heer van Ameland” was daarmee functioneel een hoofdeling met een eiland als machtsbasis, geen vazal in een leenhiërarchie.
3.4 De stins als rechts- en machtsruimte
In het laatmiddeleeuwse Friesland functioneerde de stins niet alleen als versterkte woonplaats, maar ook als centrum van rechtspraak, bestuur en machtsuitoefening. Wie een stins bezat en bewoonde, oefende daarmee feitelijk gezag uit over de omliggende goederen en personen. [21]
Ook op Ameland moet de aanwezigheid van een stins in dit licht worden begrepen. De stins was:
- plaats van bewoning van de machthebber;
- locatie waar geschillen werden beslecht;
- fysiek symbool van zelfstandige rechtsmacht.
Dat Ameland als rechtsgebied herkenbaar was, blijkt onder meer uit:
- het voorkomen van Ameland in zelfstandige akten;
- het optreden van zoenlieden en wrmannen in Amelander geschillen;
- het ontbreken van directe onderwerping aan Friese landsrechtbanken.
De machtspositie van Ritske Jelmera en zijn opvolgers berustte daarmee niet uitsluitend op persoonlijke invloed of bezit, maar op het beheersen van een institutionele kern: de stins als drager van recht en gezag.
Dit verklaart tevens waarom huwelijken, erfenissen en testamenten zo’n centrale rol spelen in de machtsgeschiedenis van Ameland. Overdracht van bezit betekende overdracht van rechtsmacht.
3.5 Ritske Jelmera als vertegenwoordiger
Wanneer Ritske Jelmera kort daarna, in 1429, optreedt als vertegenwoordiger of woordvoerder van Ameland, sluit dat logisch aan op de situatie van 1428. Hij verschijnt niet uit het niets, maar treedt naar voren in een reeds erkende machtsstructuur.[22]
Of hij in 1429 reeds de enige machthebber was, valt niet met zekerheid vast te stellen. Het testament van Peter Cammingha uit 1440, opgesteld op Ameland, toont aan dat ook andere hoofdelingen daar resideerden en aanspraken hadden.[23]
3.6 Kinderen van Ritske Jelmera
Ritske huwde tweemaal, volgens Ferwerda [24], in 1430 was hij getrouwd met ene Hylck, en in 1450 met Ayl [25] [26]. Daarin worden ook zijn kinderen genoemd:
- Sasker die de stins erft, zie hoofdstuk 6
- Jouck
- Jelts
- Wisk
- Anske, zij zou huwen met Sjuck Dekema, die een dochter had uit zijn eerste huwelijk. Zij kregen samen een kind, dat jong stierf. De dochter van Sjuck, Dodonea, erft van Anske [27]. Zij zal later trouwen met Hajo, de derde zoon van Sasker
Ritske had ook een bastaardzoon, Hannyke, die niet in zijn testament voorkomen. Hannyke was tweemaal gehuwd. Hij verschijnt in een akte uit 1439[28] , waarschijnlijk in het kader van huwelijkse voorwaarden of een boedelscheiding na het einde ervan (is Thiede overleden?), en werd genoemd in latere testamenten, waaronder dat van Hajo. Zijn weduwe Doedt maakte een testament in 1485[29].
3.6 Overgangsfase: van collectief naar dynastie
De periode 1428–ca. 1430 markeert daarmee een overgangsfase:
- van collectieve vertegenwoordiging (goede luden);
- naar individuele hoofdelijke dominantie;
- zonder dat dit al een exclusieve, erfelijke heerlijkheid in feodale zin was.
Pas in de daaropvolgende decennia, door erfopvolging, huwelijkspolitiek en het verdwijnen van parallelle lijnen, zou deze positie uitgroeien tot een vrijwel onbetwiste dynastieke heerschappij.[30]
3.7 Vooruitblik
De vraag is nu niet meer of er een machtscentrum op Ameland bestond, maar waar het vandaan kwam. Om dat te begrijpen, moeten we terug naar de oudere Jelmera-stins op het vasteland en nagaan hoe deze zijn betekenis verloor toen een nieuwe machtszetel op Ameland werd gevestigd. Dat vormt het onderwerp van het volgende hoofdstuk.[31]
Hoofdstuk 4 – De oude Jelmera-stins en het verschuiven van de machtsbasis (ca. 1300–1430)
4.1 Stamhuis, machtsruimte en identiteit
In het laatmiddeleeuwse Friesland was politieke macht niet uitsluitend verbonden aan afstamming, maar in belangrijke mate aan het bezit en de effectieve beheersing van een adellijke residentie of stins. Het stamhuis fungeerde daarbij als juridische, sociale en symbolische kern van een machtspositie. Wie het huis bezat en bewoonde, kon aanspraak maken op de bijbehorende rechten, ongeacht of deze via mannelijke lijn waren verkregen.
Deze constellatie verklaart waarom in de vijftiende eeuw patrilineaire afstamming regelmatig werd doorbroken door feitelijke machtsverhoudingen. Wanneer een volwassen man het stamhuis beheerste, ondersteund door bezit, lokale netwerken en geweldspotentieel, woog dat in de praktijk zwaarder dan abstracte erfregels. Het bezit van een stamhuis was daarmee niet slechts een gevolg van macht, maar ook een instrument om macht te legitimeren en te bestendigen.[32]
Voor de familie Camminga was Camminghaburen bij Leeuwarden het centrale stamhuis. Dit huis fungeerde al eeuwenlang als ankerpunt van adellijke status en familie-identiteit. In de vijftiende eeuw blijkt echter dat deze identiteit niet exclusief verbonden bleef aan één patrilineaire lijn. Zowel de Eminga’s als de Jelmera’s, die niet in mannelijke lijn van de oorspronkelijke Cammingha’s afstamden, namen de naam Camminga aan op basis van hun verwerving van het huis en de daarmee verbonden rechten.
Deze ontwikkeling laat zien dat ‘familie’ in deze context niet uitsluitend genealogisch moet worden opgevat, maar ook als een huis- en machtsverband. De naam Camminga werd een vehikel voor legitimatie: wie het huis bezat, kon zich als Camminga presenteren, zelfs wanneer de afstamming via vrouwelijke lijnen liep of geheel ontbrak. Dat sommige takken daarbij het oude Cammingha-wapen volledig overnamen, terwijl andere — zoals de Jelmera’s van Ameland — slechts elementen ervan incorporeerden, onderstreept het onderscheid tussen symbolische continuïteit en feitelijke macht.
Binnen dit kader krijgt ook de positie van Ameland betekenis. De Jelmera’s beschikten daar over een eigen machtsbasis, die losstond van het Camminghaburen-complex, maar er door huwelijk en vererving geleidelijk mee werd verbonden. De Amelander stins en het latere Amelandhuis in Leeuwarden fungeerden als aanvullende machtsruimten, waar bestuur, rechtspraak en representatie werden uitgeoefend. Het bezit van deze huizen stelde de Jelmera’s in staat zich zowel lokaal als regionaal te positioneren.
De combinatie van Amelander macht en verwerving van Cammingha-goederen leidde tot een hybride identiteit: Jelmera van oorsprong, Camminga in naam en traditie. Deze constructie was geen toevallig bijproduct van erfopvolging, maar een bewuste strategie om aanspraken te legitimeren, met name ten aanzien van goederen en rechten die verbonden waren aan het klooster Foswerd. In dit proces werd het verleden niet alleen doorgegeven, maar ook actief vormgegeven en, waar nodig, heruitgevonden.
Het begrip ‘stamhuis’ moet in dit licht worden begrepen als een dynamisch knooppunt van macht, herinnering en recht. Niet de bloedlijn alleen, maar de controle over huis en land bepaalde wie zich heer mocht noemen. Deze logica vormt de sleutel tot het begrijpen van de latere consolidatie van macht op Ameland en de rol die Hajo Jelmera daarin zou spelen.
4.2 De oudste Jelmera-stins (ca. 1300)
De Jelmera-stins wordt in de bronnen aangeduid als een van de oudere adellijke versterkingen in het gebied ten zuiden van Dongjum, in de terpbuurschap Bootwerd. De bouw wordt doorgaans rond het jaar 1300 geplaatst, en in 1410 wordt zij expliciet vermeld als dae alda stins, hieten Jelmersma.[33] [34]
Deze formulering maakt duidelijk dat het hier om een reeds lang bestaande machtszetel ging, die haar betekenis ontleende aan zowel bezit als rechtsuitoefening. De stins fungeerde niet alleen als woonplaats, maar ook als juridisch ankerpunt binnen de rechtsomgang van Franekeradeel.
4.3 Bootwerd en Dongjum als rechtslandschap
Bootwerd was in de late middeleeuwen geen dorp in moderne zin, maar een samenstel van staten en stinsen met eigen rechtvoerende functies. Tot deze rechtsomgang behoorden onder meer:
- Jelmersma state;
- Lyomawrdstra state;
- Bootwerd state.
Deze staten lagen in elkaars onmiddellijke nabijheid en vormden gezamenlijk een lokaal machtscluster binnen het aester fiarndel van Franekeradeel. Het recht werd er niet permanent door de eigenaar zelf uitgeoefend, maar doorgaans door aangewezen rechters, die optraden namens de bezitter van de stins.[35]
4.4 Rechters namens afwezige eigenaren
In 1410 treedt Tjalling Rodmersma op als rechter van Donghum van dae alda stinse hieten Jelmersma.[36] Rodmersma woonde zelf niet op de stins, maar in het nabijgelegen Kitzelum. Zijn optreden moet dan ook worden begrepen als het voeren van het recht namens de eigenaar, niet als bewijs van eigendom.
Dit patroon herhaalt zich in latere jaren. In 1423–1425 wordt Tjaerd Jonga (ook: Junga, Unga) meerdere malen genoemd als rechter in het aester fiarndel.[37] [38] [39] (1423–1425).</ref> In 1429 voert hij expliciet het recht voor Jelmera staeten, der ma hat alda stins.[40]
De formulering laat weinig twijfel: Tjaerd Jonga trad op namens de eigenaar van de Jelmera-stins, niet als zelfstandige machthebber.
4.5 Tjaerd Jonga als sleutelpersoon
Tjaerd Jonga is een centrale figuur in deze fase. Zijn optreden is steeds gekoppeld aan staten in de directe omgeving van Bootwerd en Dongjum, wat erop wijst dat hij lokaal verankerd was. Tegelijkertijd draagt zijn naam (Jonga / Unga / Unia) bij aan het vermoeden van een familieverband met Ritske Jelmera, die zich later expliciet ook Wnga noemt.[41], [42]
Het is aannemelijk dat Tjaerd Jonga een verwant was — mogelijk een broer of neef — die als vertrouwenspersoon het recht uitoefende zolang de eigenaar zelf elders resideerde. Dit sluit aan bij een situatie waarin het zwaartepunt van bezit en bewoning reeds begon te verschuiven.
4.6 Het verdwijnen van de Jelmera-stins uit de bronnen
Na 1433 verdwijnen expliciete vermeldingen van de Jelmera-stins uit de rechtsbronnen.[43] Dit betekent niet noodzakelijk dat de stins fysiek werd verlaten of afgebroken, maar wel dat zij haar centrale juridische functie verloor.
Later bronnen spreken nog van een zaete te Doengium, hietende Boetwert, die in de zestiende eeuw in handen is van kerkelijke fondsen.[44] De oude Jelmera-stins lijkt dan reeds te zijn opgegaan in een breder goederencomplex, zonder zelfstandig stemrecht.
4.7 Gelijktijdige opkomst van een nieuwe stins
Parallel aan het verdwijnen van de oude Jelmera-stins uit de bronnen, verschijnt op Ameland een nieuwe machtszetel. Rond 1420–1425 wordt daar een stenen huis gebouwd, later bekend als Jelmera-stins en uiteindelijk als het Camminghaslot te Ballum.[45]
Deze gelijktijdigheid is opvallend: juist in de periode waarin de oude vasteland-stins haar juridische rol verliest, ontstaat op Ameland een nieuwe residentiële en bestuurlijke kern binnen dezelfde familiekring.
4.8 Geen breuk, maar verplaatsing
De beschikbare bronnen wijzen niet op een abrupte overdracht of verlies van bezit, maar op een geleidelijke verplaatsing van de machtsbasis. De oude Jelmera-stins bleef vermoedelijk nog geruime tijd als goed bestaan, terwijl het bestuurlijke en politieke zwaartepunt verschoof naar Ameland.
In deze context kan de Jelmera-stins bij Dongjum worden gezien als de moederstins, waaruit een nieuwe machtszetel voortkwam. De verplaatsing markeert geen einde van de Jelmera-lijn, maar juist haar transformatie — een proces dat uiteindelijk zou leiden tot de opkomst van de Cammingha’s als Vrij- en Erfheren van Ameland.
Hoofdstuk 5 — Ritske Jelmera en de Amelander machtsbasis
5.1 Ritske Jelmera: afkomst en hoofdelingenpositie
Ritske Jelmera, geboren ca. 1383–1385, behoort tot de Friese hoofdelingenelite. In de bronnen wordt hij verbonden met meerdere invloedrijke geslachten, waaronder de Jelmera- en Unga-lijn. Beide families waren oorspronkelijk gevestigd aan de Friese wal en beschikten daar over stinsen die waren ingebed in de Friese rechtsstructuur en stemrecht verleenden in regionale vergaderingen.
Dat Ritske in latere bronnen ook als Unga wordt aangeduid, wijst op het samenkomen van deze familielijnen in zijn persoon. In de loop van de eerste helft van de 15e eeuw verschuift echter het zwaartepunt van deze familie geleidelijk van Franekeradeel naar Ameland. Deze verplaatsing laat zich niet herleiden tot één moment of beslissing, maar vormt het resultaat van een langer proces.
5.2 Vestiging op Ameland en de stins te Ballum
Op Ameland bevindt zich in de 15e eeuw een stins te Ballum, die in latere bronnen wordt verbonden met Ritske Jelmera en bekend zal worden als het Camminghaslot. Of deze stins door Ritske zelf is gebouwd, dan wel door zijn vader of een eerdere generatie is gesticht en later herbouwd of versterkt, is niet met zekerheid vast te stellen. In de literatuur worden verschillende dateringen genoemd (ca. 1400, begin 15e eeuw, 1424/1425, versterkt huis). Een herbouw na de Sint-Elisabethsvloed van 1421 behoort tot de mogelijkheden.
Ritske is niet de enige hoofdeling die zich in deze periode op Ameland vestigt. Uit het testament van Peter Kammingha blijkt dat ook hij er in 1440 resideerde, vermoedelijk al geruime tijd. Opvallend is dat in dat testament getuigen uit Leeuwarderadeel (Cammingabuur) worden opgeroepen, terwijl Ritske zelf daarbij afwezig is. Dit suggereert dat beide hoofdelingen op Ameland naast elkaar opereerden, zonder gezamenlijk op te treden in juridische zin.
Van belang is dat de stins te Ballum geen deel uitmaakte van de Friese rechtsstructuur en geen stemrecht verleende. Daarmee onderscheidde zij zich fundamenteel van de stinsen aan de wal. Juist dit ontbreken van institutionele inbedding maakte Ameland tot een bijzondere machtsruimte, waarin gezag kon worden uitgeoefend zonder directe onderwerping aan Friese instellingen.
De vestiging van Ritske Jelmera op Ameland valt samen met een bredere politieke context. Na het overlijden van graaf Albrecht van Beieren in 1404 wijzigde het beleid van zijn opvolgers ten aanzien van perifere gebieden, wat onder meer blijkt uit de herbevestiging van afspraken met de ‘goede luden’ van Ameland in 1404 en 1405. Deze koerswijziging creëerde ruimte voor lokale machtsvorming buiten strikte feodale structuren.
5.3 Ritske als woordvoerder zonder formele titel (1428–1429)
In latere literatuur wordt gesteld dat Ritske Jelmera reeds vanaf circa 1424 als vertegenwoordiger van de Amelanders optrad. Voor deze vroege datering bestaan echter geen rechtstreeks overgeleverde primaire bronnen; zij lijkt te berusten op een interpretatie achteraf van zijn feitelijke machtspositie in de jaren daarna.
Een concreet aanknopingspunt vormt een akte van 21 maart 1428, waarin Philips van Bourgondië zich richt tot de ‘heren van Ameland’ inzake vrede, neutraliteit en vrijgeleide. Hoewel Ritske Jelmera daarin niet met naam wordt genoemd, weerspiegelt de formulering het feodale begrippenkader van de Bourgondische kanselarij. De term ‘heren’ hoeft niet te betekenen dat de aangesproken personen binnen een vastomlijnde leenstructuur formeel waren benoemd, maar duidt eerder op het bestaan van erkende lokale machthebbers.
In de literatuur wordt daarnaast herhaaldelijk melding gemaakt van een overeenkomst tussen Ritske Jelmera en de graaf van Holland in 1429, waarbij hij als woordvoerder of vertegenwoordiger van Ameland zou zijn opgetreden [46] [47] [48] [49]. Tot op heden is echter geen zelfstandige akte uit het grafelijk archief bekend die deze afspraak expliciet bevestigt. Het is daarom mogelijk dat het hier ging om een mondelinge regeling, een onderdeel van bredere vredesafspraken, of een later geconstrueerde interpretatie.
Dat Ritske zich in deze periode ‘heer van Ameland’ noemde, moet in dit licht vermoedelijk worden opgevat als een aanduiding van feitelijk leiderschap, niet als het resultaat van een formele titelverlening of een juridische zelfuitroeping.
5.4 Bezit, gezin en opvolging
Het testament van Ritske Jelmera uit 1450 [50] biedt inzicht in zijn bezit en prioriteiten. Daarin wordt de Jelmera-state stins op Ameland als kernbezit behandeld en vererfd door zijn oudste zoon Romke. Dit wijst erop dat Ameland tegen het midden van de 15e eeuw de primaire machtsbasis van de familie was geworden.
5.5 Twee stinsen, twee rechtsruimten
Gedurende Ritskes leven bestaan gedurende enige tijd twee machtscentra naast elkaar: de oudere Jelmersma-stins bij Dongjum aan de Friese wal en de stins te Ballum op Ameland. Deze stinsen vertegenwoordigen niet alleen verschillende locaties, maar ook verschillende rechtsruimten.
Aan de wal betekende bezit deelname aan de Friese rechtsorde, met bijbehorende verplichtingen en stemrecht. Dat Ritske daar niet permanent aanwezig was, blijkt onder meer uit het feit dat in 1410 Tjalling Rodmersma (OFO II #10, #17, #18) en in 1429 Tjaerd Jonga het recht voeren over de Jelmera-stins. Deze rechtvoering door derden wijst op afwezigheid of terugtreding van de eigenaar.
Ameland daarentegen stond buiten deze structuur. Juist dit ontbreken van inbedding in het Friese recht maakte het eiland tot een bijzondere machtsruimte, waarin gezag kon worden uitgeoefend zonder directe onderwerping aan Friese instellingen. Het verdwijnen van de Jelmersma-stins uit de bronnen van Franekeradeel en het ontbreken van verdere uitbouw van die machtspositie wijzen erop dat het zwaartepunt van de familie definitief werd verlegd.
5.6 Ameland als autonome machtsruimte
In de loop van de 15e eeuw ontwikkelt Ameland zich onder Ritske Jelmera tot een autonome machtsruimte. Externe machten als Holland en Bourgondië benaderen de lokale machthebbers vanuit hun feodale denkraam, terwijl de interne verhoudingen op het eiland blijven aansluiten bij Friese gebruiken, zoals blijkt uit testamenten en erfopvolging.
Dat deze machtspositie in de praktijk functioneerde, blijkt uit het conflict met het klooster van Foswerd over land en rechten op Ameland, dat in 1483 wordt beslecht. In deze akte wordt het klooster gedwongen zijn aanspraken te begrenzen, wat erop wijst dat wereldlijke machthebbers inmiddels voldoende positie hadden opgebouwd om zelfs kloosterbezit te herdefiniëren [51].
Hoewel sommige moderne overzichten stellen dat Ritske zich reeds in 1405 [52] op Ameland vestigde, ontbreekt daarvoor directe contemporaine onderbouwing. Aannemelijker is dat zijn machtspositie zich geleidelijk ontwikkelde in de jaren na 1420, parallel aan de opkomst van andere hoofdelingen in de regio. In 1428 richt Philips van Bourgondië zich expliciet tot de heren van Ameland, hoogstwaarschijnlijk aan de feitelijke machthebbers op het eiland, onder wie Ritske Jelmera en mogelijk zijn vader, zonder dat daarmee noodzakelijkerwijs een formeel-juridische titel als ‘heer’ was verbonden.
5.7 Van Jelmera naar Camminga
De voorstelling van Ritske Jelmera als een reeds vroeg formeel benoemde ‘heer van Ameland’ heeft in de historiografie een bijna canoniek karakter gekregen. Deze lezing lijkt mede het resultaat van een achteraf aangebrachte feodale interpretatie van een machtspositie die zich aanvankelijk buiten vaste rechtsstructuren ontwikkelde.
Na Ritske Jelmera gaat de machtspositie op Ameland over op zijn nakomelingen en verwanten, waarbij de Camminga-lijn een steeds prominentere rol speelt. Deze overgang verloopt geleidelijk en zonder scherpe breuk, wat wijst op een vroege compatibiliteit tussen beide geslachten.
De bevestiging van Ritskes kleinzoon door Karel de Stoute in 1469 [53] als erfheer van de vrije heerlijkheid Ameland vormt daarmee geen beginpunt, maar het sluitstuk van een ontwikkeling die zich in de voorafgaande decennia al in de praktijk had voltrokken.
Hoofdstuk 6: Familie en erfgoed van Sasker Heringa en Dodonea Kammynga
6.1 Sasker Heringa en zijn eerste huwelijk
Sasker Heringa (gestorven voor 1450) was in zijn eerste huwelijk met Hylck, die circa 1431 overleed. Uit dit huwelijk werden drie kinderen geboren: twee zoons en een dochter. Het huwelijk duurde ongeveer zes jaar. De erfelijke aanspraken van Hylck op Ameland gingen via haar kinderen door, en bij haar overlijden werd haar inbreng in de familie verdeeld volgens de toenmalige erfrechtelijke regels. Mogelijk bracht Hylck goederen of aanspraken in die later via haar kinderen, zoals Romke en Kempe, relevant werden.
6.2 Sasker Heringa en zijn tweede huwelijk
Na Hylcks overlijden trouwde Sasker met Idt van Aylva, weduwe van een Heringa. Idt bracht eigendommen en aanspraken van haar familie (ouders Aylva en Juwsma, mogelijk de ouders van Eelco Heringa) in dit huwelijk. Sasker had uit dit huwelijk geen overlevende kinderen vermeld in de akten, maar de nalatenschap van zijn eerste huwelijk bleef van invloed op de erfenis.
6.4 Doede Kammynga en de nakomelingen van Anske Ritska
Doede Kammynga was de zoon van Dodonea Kammynga uit haar eerste huwelijk met Sicco. Hij erfde goederen en aanspraken via zijn moeder. Romke en Kempe, de oudere broers van Hajo, hadden samen met Hayo Sasker aanspraak op bepaalde nalatenschappen van Anske Ritska. De verdeling van deze goederen en de regeling van schillen en schulden werd officieel vastgelegd in een baer (gerechtelijk akkoord) van 14 juni 1458 [54], getuige de betrokkenheid van lokale notarissen en scheidslieden.
Anske Ritskes was de tweede vrouw van de vader van Dodonea, die ook van haar stiefmoeder geërfd had [55]. Die erfenis, komt ook haar zoon Doede aan. Bij het huwelijk van Hajo en Dodonea in 1458 vrezen de broers mogelijk dat kernbezit op Ameland zo kan vererven op nakomelingen van Doede, wanneer hij zich bijvoorbeeld op de wal zal vestigen, terwijl die geen deel uitmaakt van de kernfamilie. Opmerkelijk is dat bij deze regeling tevens wordt verwezen naar eerdere verplichtingen van Peter Camminga, hoewel deze reeds omstreeks 1440 was overleden. Dit wijst erop dat het hier ging om oud kernbezit, waarvan de rechtstitels en verplichtingen langdurig doorwerkten. Wat die betrokkenheden waren is niet duidelijk, Sicco werd ca 1422 geboren en was 18 toen zijn vader overleed. Als hij toen nog niet getrouwd was met Dodonea, gaan de verbindingen dus verder terug.
De context waarin deze regeling tot stand kwam, suggereert dat het behoud van dit bezit binnen de Amelandse machtskring een rol speelde. Met name gezien de positie van Doede, als erfgenaam via Dodonea, kan niet worden uitgesloten dat huwelijks- en erfstrategieën mede bepalend waren voor de totstandkoming van deze soen.
6.5 Dodonea Kammynga en haar testament
Dodonea Kammynga stelde haar testament op 22 maart 1499 op. Zij overleed na Hajo, die al vóór 1499 was overleden. In haar testament regelde zij de verdeling van haar goederen onder haar kinderen en kleinkinderen, inclusief:
- Pieter Kammynga en zijn dochter Gratiana, die in Leeuwarden woonde en een aanzienlijke erfenis had. Gratiana was vernoemd naar een dochter uit het eerste huwelijk van Dodonea.
- Doede Kammynga, haar zoon uit het eerste huwelijk, met de verdeling van zowel roerende als onroerende goederen op Ameland.
- Sjouck (dochter van Dodonea), met specifieke verdelingen van huizen en goederen, inclusief de statta in Kaminghabuer en andere landerijen.
Het testament van Dodonea was zorgvuldig opgesteld met getuigen, waaronder priester Mammo (zie ook de baer van 1483), her Fedde, Pieter persona, en de broers Jan van Tirns en Gysbert van Boelzwerd, die de inhoud bevestigden en de executie van het testament ondersteunden. [56]
Het testament van Dodonea toont een uitzonderlijk niveau van rijkdom. Legaten omvatten onder meer:
- gouden rijnsgulden;
- tonnen bier;
- tonnen koyts;
- omvangrijke kerkelijke schenkingen.
Dit wijst erop dat de vervlechting van Jelmera- en Camminga-bezit niet slechts juridisch, maar ook economisch van groot gewicht was. Zo verwierf Hayo het Camminga-huis, dat daarmee bekend werd als het Amelandshuis of Heringahuis. Hij treedt in deze periode ook bestuurlijk op in Leeuwarderadeel.
Deze materiële basis vormde een essentiële voorwaarde voor de latere erkenning van de Cammingha’s als Vrij- en Erfheren van Ameland. [57]
6.6 Conclusie erfstructuur
Het geheel van deze akten en testamenten toont een complexe erfstructuur:
- De aanspraken van Sasker Heringa’s eerste huwelijk gingen door naar zijn kinderen Romke, Kempe en Hajo, waarbij de moeder Hylck waarschijnlijk goederen inbracht.
- De tweede vrouw Idt van Aylva bracht familiebezittingen in het huwelijk, maar had geen directe invloed op de Amelander erfenissen.
- Bastards en halfbroers, zoals Hannyke, kwamen incidenteel voor in testamenten en akten, maar hun aanspraken waren beperkt.
- De verdeling van goederen van Dodonea Kammynga na 1499 betrof zowel haar kinderen als kleinkinderen, waarbij Leeuwarder takken zoals Gratiana een rol speelden in de verdeling van het vermogen.
Deze herziene weergave legt de basis voor een correcte interpretatie van de latere hoofdstukken 7 en 8, waarin de verdeling van nalatenschappen en de juridische afwikkeling van Amelander goederen centraal staan.
Hoofdstuk 7 – Consolidatie van de macht (ca. 1460–1499)
In de periode tussen circa 1460 en het overlijden van Dodonea Kamminga in 1499 vindt de feitelijke consolidatie plaats van de heerlijkheid Ameland. Onder Hajo Heringa, gehuwd met Dodonea, komen bestuurlijke, juridische, economische en ideologische elementen samen die de eerder verworven machtspositie niet alleen bestendigen, maar ook legitimeren.
7.1 Consolidatie door huis, naam en traditie
De machtsconsolidatie onder Hajo en Dodonea is niet uitsluitend het gevolg van erfrechtelijke overdracht, maar berust tevens op het bewust cultiveren van een adellijke identiteit. Zoals Noomen heeft aangetoond, speelden daarbij huisbezit, naamvoering, wapen en overlevering een centrale rol. In de vijftiende eeuw waren de Cammingha’s verdeeld over meerdere families, waaronder de afstammingsfamilie op Dokemahuis en twee zogenoemde “huis-families”: de Eminga’s op Camminghaburen en de Jelmera’s alias Cammingha op Ameland.
De Jelmera’s, hoewel niet patrilineair afstammend van de oudste Cammingha-lijn, namen de naam Cammingha over en cultiveerden actief een Cammingha-identiteit. Daarbij werd teruggegrepen op oude tradities, maar ook nieuwe narratieven ontwikkeld. Zo werd beweerd dat reeds in de vroege middeleeuwen Cammingha’s het klooster Foswerd op Ameland zouden hebben gesticht en dit later naar het vasteland zouden hebben verplaatst. Noomen typeert [58] deze voorstelling van zaken expliciet als een ‘invented tradition’, bedoeld om aanspraken op kloostergoed en rechten te legitimeren, voorbijgaand aan de feitelijke Jelmera-afstamming. Ze lijken daarmee terug te verwijzen naar de oude rechten die de oude familie uit Blija mogelijk via Foswert gehad heeft. Ze claimen daarmee oude wortels uit het gebied.
Hoewel de heren van Ameland niet het volledige Cammingha-wapen voerden, maar het wapen Jelmera, gevierendeeld met één kam van de Cammingha’s [59] [60], is duidelijk dat zij zich nadrukkelijk als deel van de Cammingha-traditie presenteerden. Deze ideologische component vormt een wezenlijk onderdeel van de machtsconsolidatie in deze fase.
7.2 Geestelijk recht en jurisdictie: de verklaring van 1466
In 1466 verklaart Hajo Heringa zich bevoegd om het geestelijk recht op Ameland toe te staan en te handhaven, los van de dekens en kerkelijke jurisdictie van Ferwerd (Foswerd) [61]. In deze verklaring stelt hij dat er reeds vijfentwintig jaar geen effectief geestelijk gezag vanuit Ferwerd op Ameland is uitgeoefend.
Deze termijn voert terug tot omstreeks 1440–1441. Hoewel niet met zekerheid is vast te stellen welk concreet moment of welke gebeurtenis Hajo hiermee bedoelt, valt deze periode samen met het overlijden van Peter Camminga en de daaropvolgende overgang van rechten via Sicco en diens zoon Doede naar Dodonea. Indien het geestelijk recht of de feitelijke zeggenschap daarover vóór die tijd door Peter Camminga werd uitgeoefend, dan kan Hajo’s verwijzing worden begrepen als een claim op een recht dat volgens hem reeds een kwart eeuw oningevuld was en dat hij zich nu, als echtgenoot en erfgenaam van Dodonea, bevoegd achtte te herstellen en af te dwingen.
Deze interpretatie blijft noodzakelijkerwijs hypothetisch. De bron biedt geen expliciete onderbouwing voor de herkomst van het recht waarop Hajo zich beroept. Wel is duidelijk dat hij zich in 1466 als hoogste autoriteit op Ameland presenteert, ook ten opzichte van kerkelijke instellingen op het vasteland.
7.3 Economische rechten: sefang en gedeelde inkomsten
De machtspositie van Hajo blijkt eveneens uit de regeling van economische rechten, met name die verbonden aan zee en visserij. In het geschil met het klooster Foswerd, vastgelegd in de baer van 1483, worden inkomsten uit onder meer sefang (zeevangst) en aanverwante rechten expliciet genoemd. De opbrengsten daarvan worden tussen Hajo en het klooster gedeeld, terwijl de feitelijke zeggenschap en handhaving in belangrijke mate bij Hajo berusten.
Deze regeling bevestigt enerzijds het voortbestaan van oudere aanspraken van Foswerd op Ameland, maar maakt anderzijds duidelijk dat het klooster genoegen moet nemen met een gedeeld economisch belang zonder bijbehorende bestuurlijke macht. De heerlijke rechten – waaronder rechtspraak, handhaving en feitelijke controle – liggen bij Hajo en zijn erfgenamen.
7.4 De baer van 1483: bevestiging van gevestigde macht
De baer van 1483 [62] vormt het sluitstuk van deze fase van consolidatie. Formeel betreft het een bindende uitspraak door een college van geestelijken en notabelen, maar de samenstelling van dit college – met personen uit Leeuwarden, Ferwerd en Camminghaburen – weerspiegelt het netwerk waarbinnen Hajo opereerde. De uitspraak bevestigt zijn positie als dominante heer op Ameland, waarbij het klooster Foswerd zijn rechten behoudt voor zover zij economisch van aard zijn, maar geen zelfstandige macht uitoefent.
Hiermee is de overgang voltooid van een situatie waarin verschillende externe machten aanspraken konden doen gelden op Ameland, naar een toestand waarin Hajo Heringa, handelend vanuit zijn huwelijk met Dodonea en ingebed in de Cammingha-traditie, de feitelijke en ideologische controle uitoefent.
De gebeurtenissen van 1466 en 1483 bereiden daarmee de weg voor de erkenning van Ameland als een in hoge mate zelfstandige heerlijkheid, culminerend in de politieke constellatie van 1469 en de daaropvolgende periode.
Hoofdstuk 8: Bestendiging van de heerlijkheid (ca. 1466–1499)
8.1 Van erfpolitiek naar institutionele macht
Met de akten van 1466 en 1483 treedt Hajo Heringa niet langer uitsluitend op als erfgenaam of partij in conflicten, maar als gevestigde heer die rechtsmacht, inkomsten en bevoegdheden structureel naar zich toe trekt.
De verklaring uit 1466, waarin Hajo het geestelijk recht op Ameland opeist en handhaaft los van Ferwerd, markeert een verschuiving van gedelegeerde of betwiste rechten naar een door hemzelf afgedwongen jurisdictie. Dat hij daarbij terugverwijst naar een periode van vijfentwintig jaar zonder effectief geestelijk gezag, onderstreept dat deze claim niet als een innovatie wordt gepresenteerd, maar als een herstel of formalisering van een reeds bestaande situatie.
8.2 Consolidatie binnen bestaande verhoudingen
De baer van 1483 tussen Hajo en het klooster Foswerd laat zien dat deze machtspositie inmiddels breed wordt erkend. De uitspraak bevestigt niet alleen zijn rechten op inkomsten (waaronder visserij en andere opbrengsten), maar erkent ook zijn rol als bepalende partij in de verdeling en handhaving daarvan.
Van een eenzijdige machtsgreep is daarbij geen sprake: Hajo opereert binnen het bestaande juridische instrumentarium van baeren, zoenlieden en kerkelijke betrokkenheid, maar weet deze consequent in zijn voordeel te benutten. Zijn macht is daarmee niet revolutionair, maar institutioneel verankerd.
8.3 Het proces Egmond–Camminga (1527)
In 1527 komt het tot een juridisch geschil tussen het huis Egmond en de heren van Ameland uit het geslacht Camminga [63]. Dit zogenoemde proces Egmond–Camminga vormt geen opmaat tot de machtsvorming op Ameland, maar een late, juridische toetsing van een positie die in de vijftiende eeuw feitelijk al was gevestigd.
Het geschil moet worden gezien tegen de achtergrond van oudere grafelijke aanspraken op Ameland, die door het huis Egmond werden geacht te zijn blijven bestaan. Deze aanspraken sluiten aan bij veertiende- en vroeg-vijftiende-eeuwse machtsinterventies in Friesland en op de Waddeneilanden, waarbij Ameland herhaaldelijk als inzet of bondgenoot verschijnt. Dat dergelijke aanspraken ruim een eeuw later nogmaals juridisch worden gearticuleerd, wijst erop dat zij nooit volledig zijn uitgekristalliseerd, maar evenmin effectief zijn geëxerceerd.
Voor de Camminga’s daarentegen was Ameland sinds het midden van de vijftiende eeuw geen betwist randgebied meer, maar een geïntegreerde heerlijkheid, waarin zij zowel wereldlijke als – in toenemende mate – geestelijke rechten uitoefenden. De machtsopbouw van Hajo Heringa, gehuwd met Dodonea Camminga, had tussen circa 1440 en 1483 geleid tot een situatie waarin externe aanspraken geen praktische betekenis meer hadden. De verklaring van 1466, waarin Hajo het geestelijk recht op Ameland losmaakt van Ferwerd, en de baer van 1483 met het klooster Foswerd tonen aan dat deze positie niet alleen werd geclaimd, maar ook werd afgedwongen.
Het proces van 1527 maakt duidelijk dat deze machtspositie achteraf nog juridisch werd aangevochten, maar tegelijk bevestigt het impliciet dat de heren van Ameland inmiddels als zelfstandige rechtsdragers werden beschouwd. Het geschil raakt niet zozeer aan de dagelijkse uitoefening van gezag op Ameland, maar aan de legitimatie daarvan binnen een breder feodaal en grafelijk kader. In die zin weerspiegelt het proces een spanningsveld tussen oudere, formele aanspraken en een inmiddels bestendige feitelijke situatie.
Daarmee vormt het proces Egmond–Camminga geen breukpunt in de ontwikkeling van de vrije heerlijkheid Ameland, maar veeleer een laat echo van eerdere machtsconflicten. Het onderstreept dat de consolidatie onder Hajo en zijn directe opvolgers zodanig was, dat externe aanspraken alleen nog langs juridische weg konden worden gearticuleerd, zonder dat zij de feitelijke autonomie van Ameland wezenlijk aantastten.
8.4 Dynastieke continuïteit na Hajo
De dood van Dodonea in 1499 markeert het einde van de persoonlijke vereniging van de Jelmera- en Cammingha-lijnen, maar niet het einde van de dynastieke constructie die door haar huwelijk met Hajo Heringa tot stand was gebracht. Alle bekende nakomelingen van dit huwelijk presenteren zich voortaan als Camminga, waarmee zij expliciet aansluiting zoeken bij het oudere en breder erkende adellijke geslacht.[64]
Opmerkelijk is dat deze naamskeuze niet gepaard gaat met het overnemen van het volledige Cammingha-wapen. De heren van Ameland blijven het wapen Jelmera voeren, gevierendeeld met één kam van de Cammingha’s. Daarmee onderscheiden zij zich heraldisch van zowel de Ferwerder als de Dokkemahuis-tak van het geslacht Camminga, terwijl zij zich genealogisch en politiek wel als zodanig profileren.[65]
Deze combinatie van naam en wapen weerspiegelt de uitkomst van de fusie: de Cammingha-identiteit verleent historische diepte en legitimatie, terwijl het Jelmera-wapen de verbondenheid met Ameland en de daar gevestigde machtsbasis blijft benadrukken. In Noomens terminologie gaat het hier om een typische huis-familie, waarin bezit, traditie en machtsuitoefening zwaarder wegen dan zuiver patrilineaire afstamming.[66]
8.5 Epiloog: Ameland als territoriale identiteit
Dat juist het Jelmera-wapen – en niet het volledige Cammingha-wapen – verbonden bleef aan de heerlijkheid Ameland, is veelzeggend. Het wapen raakt daarmee los van een specifieke familie en groeit uit tot een territoriaal symbool. In deze vorm blijft het wapen verbonden aan Ameland, ook wanneer de heerlijkheid later in andere handen overgaat.
Na de Amelander tak van het geslacht Van Cammingha komt de heerlijkheid via vererving in bezit van het geslacht Thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, waarna zij in 1704 wordt verkocht aan Johan Willem Friso van Nassau-Dietz. Via Willem IV en Willem V blijft Ameland onderdeel van het Nassause domein. Dat de huidige koning nog altijd de titel vrijheer van Ameland voert, vormt de laatste schakel in een ontwikkeling die in de vijftiende eeuw, onder Hajo en Dodonea, haar beslissende vorm kreeg.
Open vragen en vervolgonderzoek
- Doede Siccosz. <1466?
- Betekenis van 1441 (na Peter Camminga)
- Vroege akten 1396–1429 en externe machtsinvloeden
- Hypothese: Ritske geboren op Ameland
Bronnen
Secundair
- Wikipedia: Donia-oorlog
- Wikipedia: Camminghaslot
- Wikipedia: Ritske Jelmera
- Vaderlands Woordenboek, Jacobus Kok, Vol 9-10, 1788, p28. Ameland zou al voor 1180 in het bezit zijn van de Cammingha's.
- Houwink
- Adelsboek Friese adel, Op basis van de oorspronkelijke opzet van Simon Wierstra. Redactie Hessel de Walle & al. Volgens #80 bezat Ritske Donia te Hallum, en schonk hij dat aan Sasker bij zijn eerste huwelijk.
Adelyk en Aanzienelyk wapen-boek van de zeven provincien, Abraham Ferwerda, 1760
Bronnen: Burmaniaboek, Petrus Camminga, Van Adelen van Cranenburg
Cammingha en Jelmera:
De schakel der personen van deeze adelyke en oude Familie is eens begonnen opgemaakt te worden van Doctor Petrus Camminga, die zynen Oorspronk had van eenen Ernst Camminga, die een Zoon had Bennert Camminga en een Kleynzoon Kempo Camminga, deeze zyn Zoon was Sids Camminga, alle oorspronkelyk van het Slot nog hedendaags Cammingabuur genoemd, gelegen onder Leeuwarden. De laatstgemelde Sids liet eene Dochter na met naame Hac, gehuwt aan eenen Gerraut van Camminga die gewoont heeft aan de noordkant van de Kerk van Ferwerd, alwaar schoon er geen steen meer gevonden word van een oud Camminga Slot, de plaats echter daar dit Slot gestaan heeft, heeft altyd de naam van Camminga behouden. Doch dewyl het my wat deeze vier, namelyk Ernst, Bennert, Kempo en Sids Camminga aangaat, niet genoegzaam uit brieven en andere oude stukken tot noch gebleeken is, en de naam en roem van Gerraut wel het meest bekent zyn, is het my niet kwaad voorgekomen, van deezen als de zeekere en ontwyfelbaare Stam de Geslagt lyst te beginnen, hoewel ik echter de nakomelingen van Sids Camminga door zyne andere Zoonen zo als ik ze hebbe gevonden hier ook heb opgegeven. de zaak koomt my duister en laat het aan verstandigen hier over wel te oordeelen. Deeze GERRAUT CAMMINGA is een dapper en stoutmoedig man geweest en van een zeer groot gezag niet alleen by het gemeen maar zelfs by Albert Hertog van Beyeren Grave van Holland en toen ter tyd Heer van Friesland. By deeze stond hy zo hoog in de gunft dat hy hem Leeuwarden de Hoofd stad van geheel Friesland en drie treffelyke Dorpen Wirdum. Steens en Ferwerd als een Leengoed schonk, op deeze voorwaarde dat hy ten dienste van den Hertog op zyne eygene kosten altyd gereed zoude
hebben en voeden twintig paarden, ter verdediging van het Vaderland: doch indien men buiten het Land oorloogde, en ook wanneer het anders de zaak vereyschte, op kosten van den Hertog: gelyk het breeder is in het Diploma hem van den Vorst, gegeven in den Haag den 18 July 1399, (vid. Gab. p 25) onder het zegel van Hertog Albert, en zyne Zoonen Willem en Jan, in præsentie der Heeren van Arkelen en Philip van Wassener. Dit zal genoeg zyn aangaande het eerste gedeelte deezer Genealogie. Wat het andere gedeelte dat van Ritske Jelmera, Heere van Ameland af geleyd word aangaat, deeze Ritske is geboren in 't jaar 1385, en naar het afsterven zyner Ouderen, gevolgd in het erfregt der Baronye van het Eyland Ameland, dat geen hooger erkent en onafhankelyk is. Alhier heeft hy een Slot gehad Jelmera genoemd, sterk genoeg tot zyne verdediging tegens de stroperyen der Zeerovers, waar van hy dan ook de naam van Jelmera ontleend heeft, daar hy eerst Ritske Unga, naar een Landgoed in het Dorp Wierum in Dongerdeel gelegen, genoemd wierd: hy stierf in t jaar 1450, na dat hy een weinig te vooren, by Testament, aan zyne Dogters zeekere porties toegekend, en tot erfgenamen zyner overige goederen, waar onder was de Heerlykheyd Ameland, aangesteld had Kempo en Romke Donia, dus genoemd naar een Landgoed Doninga-state in Hallum gelegen, en Hajo Heringa, die deezen toenaam naar het voorbeeld zyns Vaders ook heeft behouden. Dus is de Heerlykheyd Ameland van Ritske Jelmera eerst by voorregt vervallen op Romke Donia, Ritskes oudste Kleyn-zoon, uit Sasker reeds te vooren gestorven. Romke, twee dochteren en geen manlyk kroost nalatende, kwam Ameland aan Kempo, zynen Broeder. Deeze ook zonder kinderen na te laaten overlydende, is dit Eyland gekomen aan Hajo Heringa, de jongste broeder, waarin hy ook door Karel Hertog van Bourgondien bevestigt is, gelyk blykt uit het getuigenisse van den Hertogh in dato 1469, schoon hy daar in Hajo Camminga genoemd word: de reden hier van is om dat hy gehuwd zynde aan Dodonea Dekama, Wed van Sicco Camminga en zyn Vrouw en zich zelven heeft laaten noemen Heringa van Camminga, oorzaake dat het Slot Cammingaburg en Cammingahuis oppe Hueck aan deeze Dodonaa, by de dood van Gratiana, dieze by Sicco Camminga had vervallen waaren. Twee kinderen zyn er by deeze Hajo en Doed of Dodonea Camminga voortgesprooten naamelyk Petrus en Siouck: aan Petrus is na de dood zyns Vaders by voorregt het Eyland Ameland te beurt gevallen, by wien en zyne Nakomelingen, altyd de naam van Camminga behoudende, het een zeer langen tyd gebleeven is. Doed, stervende in t jaar 1500, liet aan haaren Zoon Petrus Cammingahuis oppe Hueck, en aan haare Dogter Siouck, die reeds gehuwd was aan Rienck Eminga, Cammingaburg buiten Leeuwarden, waarvan ook deeze de naam van Camminga heeft aangenomen, en tegelyk met Cammingaburg, aan zyne Nakomelingen naargelaten. Deeze Naamveranderingen moeten iemand niet vreemd voorkoomen, nadien ze reeds voor de aankomst der Vorsten in Friesland in gebruik waaren; de meeste Edelen die voor die tyd haare eygene Jurisdicties hadden, en te hals en hoofd rechteden wanneer het gebeurde dat zy, of by trouw of door koo,p of op eene andere manier hare woonplaatzen veranderden, en in een ander Regtsgebied overgingen, veranderden ook hunne Namen en Waapens, maar na dat al het Regtsgebied op de Prinsen overging, en deeze over al der zaaken en regtsplegingen magtig wierden, is ook de verandering van Naam en Wapens als zynde nu de oorzaak weggenomen opgehouden om
Stamboek van de vroegere en latere Frieschen adel, vol I, Hettema & Hamael, 1846
Bronnen: Burmaniaboek, Petrus Camminga, Van Adelen van Cranenburg
Wanneer wij het Wapen van CAMMINGHA van JELMERA op Ameland ontleeden, vinden wij dat het eerste en vierde veld nieuw CAMMINGHA, het tweede en derde HERINGA vertegenwoordigen. Het vijfde is zegt men gewoonlijk JELMERA, het zesde Ameland. Dit laatste beteekent niets, want onbetwistbaar is het dat het eiland Ameland geen Wapen gehad heeft toen het nog geene Heeren had, en dat het het Wapen van die Heeren of een gedeelte van hetzelve tot zijn Wapen heeft aangenomen. Daaruit volgt, dat zes een Kwartier moet zijn van het Wapen der JELMERAAS en dat dezen het niet in hun Schild genomen hebben, omdat het het Wapen van Ameland was. Nu neme men in overweging dat het bedoelde zesde veld het gewone Wapen der UNIAAS is, en dat men verhaalt dat Ritscke Jelmera eerst is genaamd geworden Ritscke Unga, naar een Landgoed van dien naam, zijn eigendom, en dan zal men veellicht zijnen bijval niet weigeren, aan onze gissing dat Ritscke Jelmera eene UNIA tot vrouw gehad en met haar een Landgoed van dien naam behuwelijkt heeft, of wel dat hij Ritscke tot moeder gehad heeft eene UNIA, die een Landgoed van dien naam ten huwelijk gebracht heeft aan Ritsckes vader, en naar welk Landgoed Ritsche nadat het op hem verstorven was goedgevonden heeft zich altoos voor eenigen tijd te noemen. UNGA is wel is waar geen UNIA, maar voor het laatste schreef men oudtijds UNYA, en voor eene Y wordt allicht eene G gelezen, altoos bij mindere oplettendheid waaruit vergissing zoo gemakkelijk voortvloeit. Ritske Jelmera nu tot vrouw of tot moeder eene UNIA gehad en het Landgoed Unia bezeten hebbende, heeft toen hij den naam dier vrouw of dier moeder heeft aangenomen, ook zijn Wapen met het hare vermeerderd, en men zegge alzoo vijf en zes is JELMERA UNIA, en late Ameland daarbuiten. Even zoo heeft waarschijnlijk Sascker Jelmera eene DONIA tot vrouw bekomen, en met haar ten huwelijk het Landgoed Donia te Hallum, hetwelk zijn zoon Romcke geërfd heeft, weshalve deze dan ook, zegt men, tenminste behalve het gewone Jelmera ook het oude en echte Doniawapen, den klimmenden leeuw van sabel op een veld van goud, nevens hetzelve gevoerd en zich wel Sascker Donia genaamd heeft. Wie nu ook eenig geloof wil hechten aan de navolgende reeds van ouds bestaan hebbende overleveringen te doen te weten en het is billijk dat te doen.
I Dat er lang vóór Ritscke Jelmera Heeren van Ameland bestonden, die den naam van CAMMINGHA droegen, immers in de Kronijken wordt al op 876 van HAYO CAMMINGHA Heer van Ameland gewag gemaakt, zie: Winzemius fol. IIIa, en wat wij in de inleiding tot BOTNIA gezegd hebben. II Dat die CAMMINGHAAS eigentlijk CANGHA geheeten hebben en dat eerst in of omtrent 1245 VALERIUS WATZE CANGHA dien naam met het oude Familiewapen veranderd heeft, Winsemius fol. 167a, dan zal men om het een met het ander en vooral de heerschappij der JELMERAAS met die der CAMMINGHAAS overeen te brengen, met ons veronderstellen moeten dat van die oude Heeren van Ameland eerst CANGHA en later CAMMINGHA genaamd, mede afstamden. Ritscke die zich Jelmera geschreven en een ander Wapen aangenomen heeft, en SICKE CAMMINGHA wiens weduwe hertrouwde aan Haye Jelmera zich genaamd hebbende Heringa, uit wiens dochter alle de latere CAMMINGHAAS gesproten zijn. Die HAYE was alzoo en zelf uit de CAMMINGHAAS gesproten en tevens de echtgenoot van de weduwe van den laatsten mannelijken afstammeling van een der takken van dat Geslacht, en eindelijk door het sterven van zijne twee broeders zonder zoons Heer van Ameland; waarlijk voor hem redenen te over om de namen CAMMINGHA en JELMERA en beider Wapenen op Ameland te doen herleven, en het oudste Wapen der CANGHAAS eene ster van goud eerst op lazuur later op keel op CAMMINGHA HERINGA sur tout, te voeren. Bij Ferwerda leze men in zijne inleiding tot de Genealogie van deze Familie op bladz 30 van zijn Wapenboek regel 9 in plaats van 1385, 1383 op het gezag van Burmaniaboek, en voege ingevolge dat boek achter de woorden na de dood zijns vaders vóórkomende op bladz 30 regel 16, v. o. in: 1486.
Goederen
Camminga
De state of stins is al vóór 1400 gebouwd.
Cammingha te Ferwerd werd als gebouw voor het eerst in 1468 genoemd: als een slotken dat beheert is van een geheeten Ticke. In 1511 heette het Kammyngen guedt to Ferwert. Deze Ferwerder stins was een van de huizen van de Cammingha's, een der aanzienlijkste en ook vroegst vermelde Friese adellijke geslachten.
In de 12de eeuw worden verschillende edellieden, waaronder een Kempo, in Blija, een dochterparochie van Ferwerd, genoemd. In de 16de eeuw werden zij door Sibrandus Leo als voorouders van de Cammingha's van Cambuur en van die te Ferwerd beschouwd.
In Blija worden in de Abtenlevens van Mariengaarde in de 12de en 13de eeuw verschillende edele, danwel aanzienlijke leken genoemd, van wie de exacte woonplaats niet is te bepalen. Zo trouwde Menold Thiarchia aan het eind van de 12de eeuw met een dochter Rembrechta van de Rembrechta-stins in Marrum. Twee broers, Asego en Kampo van Blija, die in de latere historiografie als Cammingha's werden beschouwd, leefden aan het begin van de 12de eeuw. Hun nageslacht en aanverwanten worden als nobiles aangeduid, ze waren betrokken bij veten, en ze gingen op pelgrimage naar het Heilige Land en naar Santiago. Abt Sibrandus van Mariengaarde (1230-1238) behoorde tot deze familie. Volgens de traditie stamden de Cammingha's van Camminghaburen bij Leeuwarden af van de Blijaër Cammingha's; mogelijk was er ook een relatie met Cammingha-state te Ferwerd.
Het dorp Ballum was vroeger de belangrijkste plaats van het eiland Ameland. In 1429 trad Ritske Jelmera op als woordvoerder van Ameland. Hij wordt beschouwd als de stamvader van de Van Cammingha’s, de latere Vrij- en Erfheren van Ameland. Of hij toen al de enige hoofdeling was op Ameland is niet bekend. Er wordt aangenomen dat de bouw van het kasteel aan het begin van de vijftiende eeuw plaatsvond maar dat is niet zeker. Gezien de hoogte van de terp is de oorsprong mogelijk enkele eeuwen ouder. Naar Ritske Jelmera werd het huis een tijdlang Jelmera State genoemd maar dat zal oorspronkelijk we Jelmera Stins geweest zijn. Later stond het gebouw bekend als het Cammingha-slot.
Donia
Waarschijnlijk was Donia in Hallum één der oudste goederen van de familie Jelmera van Ameland (zie Camminghaslot). Volgens het Burmaniaboek gaf Ritscke Jelmera (1385-1451) de agrum Donianum aan zijn zoon Sasker bij diens huwelijk. Sasker ging zich sindsdien Donia noemen. Op het vasteland werd de familie Jelmera vaak Donia genoemd. Zo sloot bijvoorbeeld in 1444 Remko Doynge voor zichzelf en namens Sasschert zijn vader en Ritseko Doynge zijn grootvader samen met andere hoofdelingen een verbond met de stad Groningen. In 1450, 1452 en 1458 was Remka Doyngha betrokken bij verschillende erfeniskwesties. Peter van Thabor vermeldt in zijn historie: "Ende in Ferwerderdeel wasser groote twijdragt tusschen die partije die duert tot noch toe, ende sint vele hovelinghen omme gheslagen (gedood - JL) onder welke die laetste was Tzaling Sitthijma. Ende die laetste van die vetkoopers was Runka Doijngha, die wordt ghebrant in die kercke toern in ’t jaer 64 omtrent Sinte Marten". Deze Remke Donia, aanvoerder van een groot contingent Vetkopers, werd aangevallen door Lieuwe Jellinga uit Britsum en zijn krijgsvolk. Die belegerden de Doniastins en na enige tegenstand wisten ze het huis te veroveren en "vernietigden het tot de grond toe" zoals Cannegieter schrijft. Rienk ontkwam in eerste instantie en vluchtte in de kerktoren van Hallum.
Lieuwe Jellinga belegerde hem ook daar en stak de kerktoren op 7 november 1464 in brand. Remke Douma kwam in de vlammen om, "waardoor," schrijft Occo Scharlensis, "de voorgaande moedigheid van ’t geslachte Donia gans te niete ging". Remke Donia volgde zijn grootvader op als heer van Ameland en noemde zich daarna ook wel Jelmera. Hij was gehuwd met Catharina Adeelen met wie hij twee dochters had, Hilck en Jetske.
Deze stins bestond mogelijk al voor 1424.
In het testament van Benedictus Donia, die eerst in Oosterend en later te Burgwerd woonde, wordt in 1424 melding gemaakt van goederen in Nijland. Benedictus was waarschijnlijk de grootvader van Haring Donia, die in 1458 op Nijland woonde. Volgens Worp van Thabor lag het "sterck steenhuis" van Haring niet ver van de Hottinga State. In het eerder genoemde jaar 1458 wordt het Doniahuis door Goslick Juwinga en de Bolswarders, waarbij ze ook nog hulp kregen van Douwe Siaerdema, ingenomen en "verdurven". Vier jaar later, in 1462, deed Haring een tegenaanval en veroverde hij Hiddama steenhuis in Nijland, en ging daar zelfs wonen. Haring behoorde oorspronkelijk tot de vetkopers, maar treedt nu toe tot de Schieringers en in 1463 vindt er een gevecht plaats met Jancke Douwama, en wordt hij in Irnsum doodgeslagen.
De Doniastins stond ten noorden van de kerk te Akmarijp, gemeente De Friese Meren.
Unia/Unga
Zo'n honderdvijftig jaar later, rond 1420, staat er nog wel een kapel, maar deze wordt dan door de Schieringers onder leiding van leden uit de familie Siaerdema van Franeker verbrand. In 1575 waren de fundamenten van de kapel nog te zien. Keimpe Unia te Wirdum heeft meerdere zonen, en één daarvan was Feye of Feicke Kempes Unia: "houelingh tot Marssum; deese Feicke heeft syn stins gehadt op Freniumerbuyren, de staten van Unia toebehorende alsnu jr. Oene Andries van Albada in den dorpe Marssum"
Van der Aa schrijft het volgende over deze State: UNIA, voormalige state, provincie Friesland, kwartier Zevenwouden, grietenij Utingeradeel, arrondissement, kanton en 2 1/2 uur ten noordwesten van Heerenveen, te Akmarijp.
De “Tegenwoordige Staat” schrijft: “Het Slot van Unia, ’t welk de eerste stem te Wirdum heeft, was reeds door dat geslagt gesticht in de veertiende eeuw, en strekte tot eene veilige wykplaats voor Auke Keimpes Unia, toe hy in 1498, verzeld met veele huislieden uit Idaarderadeel, Rauwerd en Wirdum, de Leeuwarders, die uit de Wouden naar huis keerden, wilde aantasten, doch door hen geslagen werd.
Jelmera
De stins werd waarschijnlijk rond het jaar 1300 gebouwd en werd reeds in 1410 de oude stins genoemd. De terpbuurschap Bootwerd met de rechtvoerende staten Bootwerd, Jelmersma en Lyomawrdstera lag ten zuiden van Dongjum aan de weg naar Franeker. De ligging van de stins van Jelmersma is onzeker. De oudste vermelding van deze stins dateert van 1410. Hij wordt dan vermeld als dae alda stinse, hieten Jelmersma; in 1429 en 1433 aangeduid als Jelmera staeten, der ma hat alda stins, en als Jelmera dat alde stins. Vanwege deze stins was in 1410 Tjalling Rodmersma rechter. Deze woonde zelf in het naburige Kitzelum (zie aldaar). In 1429 voerde Tjaerd Jonga het recht voor deze stins; zes jaar eerder deed hij dat ook voor Lyomawrdstra state in Bootwerd. Of hij zelf ook in Bootwerd woonde, is niet bekend. Goed mogelijk is dat echter wel, omdat de andere keren dat hij als rechter optreedt dit steeds is vanwege staten in de directe omgeving.1) In 1420 en 1422 wordt hij genoemd onder de Schieringer hoofdelingen in Franekeradeel die een verdrag met de Oostfriese hoofdelingen Ocko tom Brok en Focko Ukena sloten.
Jelmersma state en stins wordt na 1433 niet meer genoemd.
Middelseeuwse bronnen aangaande Ameland
Uit: OFO I
#183 - 03-07-1466 Wigla Kmastra belooft Haya Heringha , zijn zwager, te Franeker te zullen verblijven totdat de baer inzake hun geschillen is uitgesproken
Ick Wigla Kamstra hly ende bythioge mey disse epena genwerdighe brewa hoe dat ick Haya Heringha myn swager ontheet fan stonden an to Fraenker to tyaen ende deer op myn sykerheed toe gaen ende wt Fraenker naet tho scheden wt myn sykerheed eer dyo seeck by compromisset barreth wtseyd schiowd schaet ende eyntlick seend is Ende hatter in dat compromis ende inder baer fan penym wert bygrypen ende foer peend dat steed ende fest toe halden ende weer dat zeek dat ick Wigla off ymmen fan myn fryonden dyt inbreek ofta den ferd in breek den eerfseth deer Sytya myn broer fan mynra weyna onder seth haet foerleryn ende wonna seeck ende dath eerfschyp deer my Wigla ende Eelka myn wyff fan moeder Ida an falla mey wrlern ende wrschalt to habben to Haya off sin eerfnammen by hoeff sonder aller handa jen zidzen by da eerlos troulos filos ende mynneed ende nymmermer beth neen gueden maen toe andrien ende by da fyoerten beeth sonder allerhanda eerghalist ende nya infindingha deerma hir in finda thyaen ofta bringha mey In een weerhed dissis brewis soe hab ick Wigla foer sartonen myn seluis sigil tracht opt spacium dys breuis Int jea ons Herens M° CCCC LXVI op den tondersdei ney ws lyaue Frouue dei wisitcionis
ARA. 's-Gr. Nass. Dom. 10313 (Ameland). Orig.? pap., ongezegeld.
#252 - 09-09-1474 Botta Lioynghia en Syola Syds zn Buwyngha erkennen de bij baer gemaakte scheiding van het erfschap hunner vrouwen aan Haya Heryngha
Wy Botta Lioynghia ende Syola Sydszen Buwyngha hlyet enda bykannit mey dit j enwirdich breeff ende quytancie hoe dat wy Haya Heryngha bytanckiet fuldeda ende gueder layengha ende wtwysingha fan ws wyuena wegena als Hylke enda Jetthie Zaliga Romka Doynghia dochtera fan hiara an lauweda gueden enda eerwenschyp als hiarem da fan hyara foer firderen an leten enda laughet sint hya sint lidzende in Ferwerderadeel in Dongeradeel jeffta op Aemland in pennynx heer in steden enda den helffta fan dae steden in Jelmera trimdeel op dae dwnen fan dissen soe tanckia wy Botta ende Syola fors. Hayen forbynaemd fuldeda ende gueder wtuisinge ney inhauld ws baeris Ende al hiir toe jenst soe staed wy Botta enda Syola foerseyd foer ws enda ws neykommen als fan ws enda ws wyuena wegana forser, ende hiare neykommen Hayen fors. enda syn neykommen euwelick ende erflick toe Jelmera stata op Aemland enda dae lytika meed ende een pennynx heer toe forrendeel ende des gelyke soe schil Haya forbynaemd habba syn pennynga heer enda steden als Hayen dae toe deel f allen sint inder delinge fors. ney wtuysinge der baer mit eer enda mit feer enda mit dae heerlicheed op Aemland. Als dat riucht, sefond enda sefang profyt fan peynthien dae jacht den exzys ende allen dat deer zaliga Romka fors. by syn tydem brwckt enda bysghet hath ende an Jelmera stata mey goed ende mey riuchta berra mey Soe dat wy ner ws neykommen ner nemmen fan wser wegena nen meer saen ner spreeck schillit habba ner meckia op Hayen fors. ner op syn kynden enda neykommen om disse forbinameda lauwa gueden ende heerlicheden in enige riucht jefta buta dae riucht hemelick jefta oppenbeer sonder enigherhanda falykant enda quade byhyndicheit wt seyd a In een weerheit dissis breuis enda quytancie fors. soe hab ick Botta fors. beden Hetta Hemmama dat hy syn sigel hat hwinsen benya ant spacium dissis breuis om myn bede wille enda ick Siola fors. hab beden Syds Buwynga myn f ader syn sigel om myn bede wille toe hwaen ant spacium dissis breuis want wy Botta enda Siola fors. selff naet sigel leren sint Ende in een mara festicheed disser schecünge fors. soe habbet wy wran ende zoen hoed deer wse nemmen buppa wse syglem scrionen staed jeffta deer oeder lioed om wsen willa bysiglet habbet wse syglen mey hwinsen ant spacium dissis breuis hwant wy by disser schedinge ende layenge ende quytschioldinge fors. wr enda an habbit wessen ney wt wisinge der baer fors. Int jeer ws Heren thusen fiouwerhondert fyouwer ende tzanchtich op sinte Laurencins jownd martyr
ARA. 's-Gr. Nass. Dom. 10313 (Ameland). Orig. perk., van de zeven aanh. zegels alleen fragmenten van het tweede, derde, vierde en zevende over. Boven de zegels staat: 1. S. Hettonis Hemmama. pro solo(?) Bottone; 2. S. Sidzonis pro solo(?) Ziolone; 3. S. Jellonis curatï in Rauwerd scilicet super arbitri; 4. S. Dodonis curati in Nassen arbitri s.; 5. S. Hermanni in Bergum curati; 6. S. domini Tzalingi vicarij in Mersem arbitri elecxi; 7. Sigillum dommi Hernumi in Ferwert curati ob rogatum Takonis Vnama
#295 - 09-03-1479 (Hajo treed op)
#320 - 28-04-1482 (Hajo treed op)
#322 - 04-07-1482 (Hajo treed op)
#326 - 21-02-1483 Soenlieden maken een baer in een gesschil om Ameland tusschen het convent van Forswert en Haya Heringha
Wy Henricus by der nede Goedis, abbet thoe Aedwert, Sibodus thoe Lyouwerd, Mamrao thoe Wirdum, Hermawnus thoe Ferwert, presteren ende personnen Lollo vicarius toe Kamminghabuer duaeth kwd alle lioedem mith disse epena breue hoe datter waes enerhanda scylinghe twischen den abt ende conuent thoe Forswert fan der ener syda ende Haya Heringha fan der oedera syda rysende fan Aemland Huelke scylinghe disse igghen voers. claecklos vp ws habbet bysprttzen ende wy habbetse ontfensen barred ende wthseyd in maneren neyscriouen
a Int aerst soe scil mijn hera dy abt mith dae conuentts lyoed haulda bruka ende verheera ende landsetten setta ende ondsetta ende al hiara renten berra fan al dae landen deer hiae habbed vp Aemland hiae sint Udsen hueerse Udsen sint sonder Metten Hayens jeff sijn effterkommen. Item foer dat riucht deer Haya mocht habba toe dae Suarta wald[67] deer foer scilled hy ende sijn aeffta effterkommen als hiae kommed offte wawnied vp Aemland moegha gheyja wrt land fan Nes twischen dae Rijd ende den Sculbalgh[68] om hiaeren toe voermeytiuen. Mer jelkers scil dy abt int land fors. als twischen dae Rijd ende den Sculbalgh dat riucht fan jeyjen selff haulda offte toe des claesters profijt verheera ffoerdmaer alla renthen deer kommed fan dae pijnken als foer dae fiskenye offte dae bischiirmenisse dae scilled dy abt ende dat claester fan der ena syda ende Haya ende sijn eerwen thoe lijka deela. Ende dae fijngueden desghelika alsoe fulla alse deer mey goed ende riucht halda moeghen aeck toe lyka deela bysonder deer f aeled twischen dae Rijd ende den Sculbalgh vors. Jelkers scil Haya dae fijngueden allenna vp riucht haulda Ende offt dy abt ende dat claester vorscrn yn den helfft fan dae pijnken ende fijngueden yn Nesse mochten wessa bihaenghed deer foer scilled Haya ende sijn effterkommen gvnstich ende helplick wessa den claester hiara gueden ebde riuchten toe bischijrmen Ende aeck dae riskeren pijnken ende sciplioeden ney hiara moeghen foer alla lioden als haedlinghen fan dae land verandrya. Item om dae nyoeghen steeden willa wy dat myn hera dy abt ende dy claester scilled hiara willa bihaulden habba offse dae sinte Barbara leta bihaulda ende Haya sijn guede wille dwaen off hy sijn tree steeden sinte Barbara wil toe staen Hijr ney om den font thoe Nesse scill Haya wield ner ontanck den claester thoe keera mer wil hijt ende dy personna off dioe meent naet consenteria soe moeghen set mith riucht wr andrya Toe lesta sidza wy mith disser vorser, baer al hiara scylingha deer eer datum dissts breeffs wessen habbed daed toe wessen alsoe dat elck oerum al aulda scijlden wth gueder herte deer voerglijden sint scilled qwijtscijlda ende alla toe kommende riuchten ney inhauld ws baers voers. foer God ende dae wrald jaen ende consenterya Altingh sonder arghelist
b In orkunde des weerheeds soe habbed wy baerlioed vors. wse sigelen hijr onder henghed Ende om een maera festicheed habbed wy Hermannus abt ende meena conuentis lyoeden ws abdye sigel en* des conuentts sigel hijr mey aen henged Ende ick Haya voers. hab desghelika disse baer mith myn sigel bisigeled Int jeer ws Herens twsen fyonrhondert trya ende tachtich feria sexta post dominicam in albis
ARA. 's-Gr. Nass. Dom. 19313 (Ameland). Orig. perk., van de acht aanh. zegels slechts kleine fragmenten over, iets meer van het derde, zesde en zevende. In dorso: Baer twiska Forswerde(r)a ende Haya om Aemland
#341 - 26-03-1485 (Hajo treed op, alderman)
#342 - 13-07-1485 Testament van Doed, vrouw van Hantya Heringha
In den namma Godis amen Item dit is saligha Doed Hantya lyaefs leste willa ende testament dier hijo op her lest bygerret haet vaa Hantya tho folbringhen in teghenwirdicheits her Pieters her byriuchters ende bijchtfaers ende folie oer lyoden bede wrif ende ma»nen alhoe wol dat hijo fwajes cranck van licham nochtans soe waes hyo sterk ende wijs Van sennen in manieren is hijr ney volghet
a Item int aerst soe haet tejo bijspriteen her edele seel Godman hymelrijck ende Maria sim lyaue moder mey al dat hymelsche heerschip Item her leijgher stoed haet hyo bygerret by sinte Barbera Item vse lyauwe Vrou tho Hollum haet hyo tho leijd her een schote thoen stsijlck Item dyo oer schotte haet hyo tho leyd sancta Barbera tho Ballum teek tho en stzijlck Item dy personna tho Hollum haet hyo tho leyd .I. rinsgolden Item siin caplaen en hael rinsg. Item her Pieter tho Ballum een rinsg. Item her Pieter tho haet hyo tho leijd en hael rinsg. Item da berfote bruren ende da Jacopinen tho Lijouwerth elkerlyck en rinsg. Item da frouwe bruren ende da Augustinenses elkerhjck en hael rinsg. Item da cruus broren tho Franeker en riinsg. Item soe haet hyo byspritsen da armen .XXX. paer schoen Item Hantya Heringha her man haet hyo tho leyd ende byspritzen tho lijaefgeften .X. schielden ranten in Bernser goed tho ewijghe tijdern Item voert oen soe haet hyo tho leyd Hantya her selueren rieme mey al da oer seluer wirekim ende din schil Hantia vorscr, her edele seel weer bytinse mey offerhande tyden delen eerliken ney dis landts manieren fyaertich jer langh Item Tyaerd her broer haet hyo tho leyd .VI. schyldench ra«ten voer vt her gueden Item 'her audste suster haet hyo tho leyd her blauwe claen mey her rada tabert Item 'her jonxste suster haet hyo tho leyd her boxhoern claen mey her blawe rock Item om en maerre festicheit disser vorscr. ponten soe hab ick her Peter tho Ballum mey Somnnghe va» myn ondersetten beden her Pieter tho Nes dit vorscr. testament tho bysighelijen want ick selm nyn syghel fyeren bin Ende ick her Pieter vorscr. hab dit brief bysighelt om disse vorscr. lyoed beda willa Int jeer als ma scrijoen M° CCCC° LXXXV° ipso die Mergarete virginis
ARA. 's-Gr. Nass. Dom. 10313 (Ameland). Oude copie, pap.
#440 - 22-03-1499 Testament van Dode Kammingha
In nomine domini amen Int jeer ws Heren tusen fyouwer hondert ende nyoghen ende nyoghentich is commen dyo eerwirdighe frow Dode Kammingha, des freeds foer Palme als deys ney sinte Benedictns, foer ws maister Mammo, her Fedde persinnen thi Aldehow, ende her Pieter, personna thi Nyahow, broer Jan van Tirns, prior der Jacopinen in Lyoewrd, ende broer Gysbert fan Boelzwerd, fesmaester aldeer, ende haet her testament ende laeste wille mecka in manieren ney scroyu
a Int aerst soe beuelt Dode vorsn den almachtighen God her siel. ende dat lichaam der eerde dier dat fan commen is ende byarret her legerstoel thi da Jacopinen in Sicka greff ende byspreckt aldier XII gouden rynsche gownen Item so bysprectze tho Graetthia lien, jeffta pronda in sinte Katherine tzercka twien alda schilda dier ghaen schilla wt Ghercka ende Haetthia steeden Item so bysprectze sinte Katherine, her haedfrow, ende dio kapelle tho Kamynghabuer, dat gyen dat dae twa steden voernaemdt meer tho heer gielden tho lycke tho delen Item so bisprectze thi da tzeercke, jeefta capella tho Kaminghabuer, tho help tho tymmeringha X rynsche gownen Item den personna tho Kaminghabuer, een gouden rynsche gounen, ende her Cornelius ende den pronda prester op Graetthia, hen elcx een rodolphns postulaet Item so bifestighet, hyo dae freeds bollen dyr fan aldis brocht sint van Kamynghabuer, ende Doede voerd an by her tyden brocht haet ende byswierget dier mey tria pondameta terpland tho Harmswird, ende jeff dis trie pondameta naeth foldwaen mochten so leyt hyo dier tho een brieff fan een gowden rynsche gowne jeff schilde rentha dyer hyo kaped haeth in Popkama goed, hockera her Feddo schil weer in lossen mey al socke payment als dat brieff in haut dyermen oer renthen schil weer om kapia om dae freeds bollen tho voldwaen om sillicheit der sielen dyer dis landen fan commen sint
b Item sinte Cecilie, haedfrow tho Leckum, een gouden r. g., ende her Albert personna aldier, een rodolphns postelaet, ende den jongher prester aldyer een hoerntgis postelaet Item tho Medum een hael gouna ende den prester aldyer een hael gowna Item sinte Vyt een gouden r. g. ende den tween personnen maester Mammo ende her Feddo elckx een gouden r. g. Item ws lyaeff, Frow tho Nyahow, een gouden r. g., ende den personna mayster Pieter een gouden r. g. Item dae oer presteren binna Lyowerd, elckx een ½ postelaet Item dae baervoete broeren in Lyowerd V gouden r. g. Item sinte Anthonins ende sinte Jacob gasthusen elckx een gouden r. g. tho hyarra needdrufticheyt Item den personna tho Raerd, een gouden r. g. ende her eyn prester op her lyen aldyer, een hael gouden r. g., ende dae oer presteren aldyer elckx een hael postelaet Item elcka tzercka in Lyowerderadeel, een stoeter ende elcka personna, een stoeter ende jongher prester twyn stuueren Item her nifften tho Syon, elck een hael g. r. g. Item tho Syon ende Werd elckx twae tonne koyts Item tho Foswert tho Ghenaerd ende Beetlehem 1), elckx twe tonne koyts Item tho Dockum Clircamp ende tho Sinte Marie gaerda, elckx een dauids g. Item her myegh tho Gerckis claester, een hael g. r. g. Item dae sisteren tho Angwird, een hael gouden r. g. Item tho Bwingha claester, een dauids g. Item tho Aedwert, een gouden r. g. Item dae sisteren tho Wiswert, een tónna Hamburgher byer' jeff twa tonna koyts Item dae oer claesteren in Aestergoe ende in Westergo, tha farra naet bynaemd, elckx een gouden pennich Ende dae twa oer biddende oerda, elck een hael gouden r. g.
c Item Syouck her dochter, bysprectze her huys dyer hyo nu selm in wennith tho farra wt mit den steed dier dat huys op steet mey dat haele tilber goed Item Graetthie Pieters dochter, bysprectze Graetthien Kamingha scotte ende Sieke Pieters zoen Sicka Kamiwgha riemma billert ende Wythia Pieters zoen, XXX g. r. g. des (ghelyckes) tho een riemma Item so schil Pieter tho farra wt habba, den statta in Lyowerd, ende dat silueren schinckffet Kamminghaburch 2), ende Syouck des ghelyckes de statta tho Kaminghabuer, ende Watthia ende Wythia Syoucke soenen, elckx XXX gouden r. g. jeeldis elck tho een riemme Item so maecket hyo ende set eerwen al her gueden replyck ende onreplyck her kynden, als Pieter Kammingha her sin, den twadeel ende Syouck her dochter, den trimdeel ney inhoudinghe her meckbrieff ende foerd oen alle oer schyllingha dyer twiscke hyarrum sin jeeff te vallen mochten, om Haya ofte Doede alter letena gueden, Pieter ende Syouck dat claeckloes tho bliuuen by ffyower iefte fyff eerbere mannen dier Haya fan beda syden hier tho schille tziesa, ende hwa dat naet dwaen wil fan Pieter ende Syouck dy schil verbert habba fyfftich gouden r. g. tho profyt tho dae trye perrochi tzereken ende Jacopinen in Lyouwerd Item soe set hyo executoren her testamentis Pieter Kammingha her sin, ende Syouck her dochter, ende wil dit voersn testament habbe halden ney alle ryochten eens testamentis offte oer lesta willa
d Meckit is dit vorsn testament fan Doede vorsn int jeer ende dey vorsn, in jeenwirdicheit maester Mammo ende her Feddo personnen thi Aldehow, ende maester Pieter personna tho Nyahow, broer Jan van Tirns prior der Jacopinen in Lyowerd, ende broer Gysbert lesmeester aldyer, ende aeck oerkenen dyer tho roepen. Hanthia smit Hans scroer, ende Gherbren tapper burgeren bywnen Lyowerd, orkenen dyer tho baeden ende roepen des tho oerkonde, siglet mey myn sygel mayster Mammo vorsn, foer my selm, ende mayster Pieters weyna personna tho Nyahow, om syn beda willa. Ende her Feddo vorsn foer my selm, ende Hanthia ende Hans ende Gerbren vorsn beda willa ende van my broer Jan fan Tirns, foer my ende broer Ghysberts vorsn beda willa mey dat sighel myns prioerscip
ARA. 's-Gr. Nass. Dom. 10313 (Ameland). Orig. perk., van de drie aanh. zegels het eerste en derde iets beschadigd, het tweede geheel bewaard. Een geauth. copie, pap. hiervan Fr. Gen. Arch. Burm. Eys. 53.
Onder dit stuk staat: Item disse copie ys dyo riuchte copie deer dat principael testament deer bysiglit ys wt screwen ys dat byly ick her Fedde meijn hawntscrift Ego frater Petras de ordine /ratrum minornm de obsexuancia testificor scriptura manus proptie de licencia wewerabi/is patris Mostri gardiani Lewerdensis qnod Aaec copia testamenti concordat in sensu cum suo origina(li) in presenaa mea dum adhuc eram in seculo et ecclesie beate Marie i>irginis nov e curie curatns con- fecto demptis addicionibus postea in maxgine cum minori colamo consciiptis quave rogo vewerabilem patrem fratxem Johannem de Tirns /ratrum predicatomm in Lewerdia priorem et magistrum Mammonem ecclesie sanctt Viti cutatum ut hanc in publicam redactam suis sigillis communiant vice et nomine meis pro ut
Uit: OFO II
#10 - 25-07-1417 Buurbrief van Franeker
#17 - 01-01-1433 Rechtsomgang van Franekera deel I
Dits dat register en de dioe ordinancie van Fraenkera dele, hoema dat riucht seel fera, ende seel om gaen in dat deel
In nomine domini, amen. In Fraenkera dele soe sinter fiouwer fiaemdel, ende dae habbet elck iers acht riuchteren, ende dij achtenda is dij grietman,
a Int aerste als van Fraenkera fiaerndel, dat is Fraenkera ghae ende Donghum is een fiaerndel, ende dat soe deeltma an fiouwer. Dat aerste is Zijaerdama, Edeghum, ende Erdenze. Dat letter is Ztalwert, Lollegum, ende Dodeghum, Dat tredde is dae Buren, Witzense, Wlanckum, Werum, Gatswert, Wrdsettra, ende Werringa. Dat fiarde sint Doraiinga. Ende des fiouwer fiamdel habbet elck ieris tweer eden, ende hiae deles aldus.
b Int aerste soe ferath Zijaerdama, Eddeghama, ende Erdenzera dat halue riucht toe ienst Ztalwerdera. Lolleghum ende Dodeghum elck syn ieer een eed, ende dat halff en halff. Zyardama dat oer ieer, want hiae nu Edeghama ende Erdenzera riucht aghen; Ende Ztalwerdera, Lollegama, ende Dodeghama dat other ieerscher, elck buurschap zijn ber, lijck om toe gaene, want elck buren habbet tria riucht ferende stathen, Lollegum Intisma Tijaertha ende Jellingha stathen, Item toe Dodeghum thria, als Heslinga statha op tha aestere terpe, ende Hildarda, en de Fertsa bij dae grata were dae twa huusew,
c Item int wester eijnde, ende Downinghama delet hiara riucht als wel an twa, elck sijn berre eenen eedt. Ende dijne so delet hiae aldus bij tarnen. Int aerste int wester eijnde soe sinter nu tre tarnen. Dij aerste sint, Witzensera, en de Rossinga toe gader, Dij lettera sint Lijolama, Wijbranda, ende Doijkinga 1) [Item tredda taem Gaetswerdera ende Sibranda] toe Wlanckum, ende disse tree tarnen dae ferath dine eed alser compt, Int wester eijnde elck sijn ber, Witzensera aller aersta, Gaetswerdera deer nei, ende deer efter Lijola 2) dat sint Lioelama 3), Wijbranda, elck sijn ber 4)
d Item in Downinghama ghae 5) sent is wel thre tarnen, Dij aerste taem is Wrdsittra, Aijluffisma, ende Heringa, ende in dissen 6) taem soe compt dioe gretenije 7) al tyda als dioe compt toe Donghum, want dae in Fraenkera ghae int wester eynde ferath nene gretene. Item dij lettera taem is Botwerdera, Jelmera dat alde stins, ende Lijomawrdstera 8), Item dij tredda taem sint Kitzelama “), ende deer sint alsoe wel houwer riucht ferande stathen, als ick vernymen habbe s ), Roedmersma thria, ende Lijuwama een, ende disse thre tarnen ferat dine eed alser compt toe Donghum, dij aerste 10) taem, neij taem, ende ford elck sijn ber in dae tame u 11)
#18 - 1406-1438 Rechtsomgang in Franekera deel II (item w)
p37
Item nu weetstu hoe dae tarnen sint van riucht ferande stathen, nu sceltu wita dat bi fortidem 83) soe wast graet ena 84) grietman toe wessen deer nu graet bemte is, ende deerma nu naet jern habba wil, Ende deerom soe scheltu wita, dat on mawnigha tarnen ferath dae gretene, ende deer deer 85) bij mijner tijd feerd habbet, ende dae gretene ferath dae thria fiarndel, ende dat fijaerde feert nijwmermeer nene 86) gretene dat sint Ztungha 87). In hiara tarnen ferath hiae tweer eden, ende nene gretene bij langher tijd,
a Item
[...]
p38
f Inden jere wzes Herens M CCCC ende X op Aller hyllingen dey. Item Siurd Hesselinga grietman van Hitzum van Sicka weijna ende staeten Welgripsma der hioe heden thoe Hitsum. Item Sibet in Kee ruychter van Kee in dat wester fiaerndel. Item in Franikera fiaerndel. Item Hilla Intissma ruychter van Intisma huyse. Item Ztaelinch Rodmersma ruychter van Donghum van dae alda stinse hieten Jelmersma. Item in dae aester fiaerndel. Item Tako Witzens ruychter van Schalsum van Sybets weyna in Stunga. Item Sycka Syaerda ruychter van Coygghum van Hildarda staten,
p41
w Inden jere wzes Herens M CCCC ende XXXI. Item dioe gretene thoe Heed op Luygga staeten, ende Jelmera op Aydelen Ferdese, ende dae hoede van zynder weyna, als Tzalingh Rodmersma dat aersta fiae(r)ndel, Brontich in Jerum ende dat letter, Hilla in Eslum dat tredda, Peter Campstra dat leste; ende ena thoe tree terde den eed als een ruychter. Item di eed thoe Tampterp op Bolta staeten, Peter Campstra ruychter in Franikera fia(r)ndel. Item di eed thoe Doedeghum, Sicka ruychter' van her Yntes weyna. Item di ora eed thoe Dongum op Kytzelama staeta, Tzalingh Rodmersma ruychter int wester fiaerndel. Item dy ena eed thoe Fingia, Douwa Herbadeghum ruychter. Item di ora eed thoe Midlum op Laus staeten, Remer Lioula ruychter in Tzummu fiae(r)ndel. Item Broutich in Herum berde den ena eed.
#64 - 27-05-1466 Hayo Heringha, hauschyp op Aemland, staat geestelijk recht toe op Ameland
Ic Hayo Heringha hauschijp op Aemland bekenne met disse brefue ho dat ic to
stand disse decken en de ors deckennen deer hijr ney come mochten to riochten en de herra riocht to forfolgheen in riochtferdighe secken op Aemland en de naet to Ferwert vt da yenne op Aemland ney dam datter nen decken riocht haet to Ferwert benna XXV jeer Ende ick stand die decken to hiara ban op Amland fanda mysdedigha op gueder lyoede kennygha En de weer dat secke datter emmen weer deer dy decken naet fol dwaen wolde by guede hoede reed op Aemland en de des decken ban naet achten wolde ner God of herra aeynd seel sellicheed naet schyaen wolde oen en de lickwol deer to buppa gaen wolde to tzerka en de God naer menscha frochte wolde deer dy decken syn fol riocht fan to nymen want ick nemmen wol sterkya in herra sonden mar datse hemmen by kan en de by kera ende libba als crysten hoeden schildich se[nt t]o dwaen a weer dat secke, dat hijr toe buppa en fan horra wegenna, deer [scjhildich se[nt] dae decke[n].... to for folie.... mysdwaen wolde in lyf of [guet] dat 1) wol ick halda op [herjra lijf en de [guet] en de for folya mey riocht wee[r] dat ick mey of kan In orkonde dissfs vors. waerheft so hab ick Hayo Heryngha vors. dyt breef by sygella mey myn selues sigel Int jeer ons Heren M° CCCC° LXVI opden tysdey ney Pynxteren
RA. Lw. KI. F 4. Orig. pap., het opgedrukte zegel bijna geheel ver dwenen. Ch. I, p. 614.
1) Hierachter is ,ick’ doorgehaald.
#82 - 13-07-1476 Grietman en mederechters in Leeuwarderadeel doen uitspraak inzake geschillen over het slaaten der Ee tusschen het zuider en het middelste trimdeel ter eenre en het noorder trimdeel ter andere zijde
#214 - 1439 Voogden bevestigen de boedelbeschikkingen ten gunste van Hannyka Ritzeka zn van Ameland en Thide Doeka dr Hemmema
Wy Peter Kamyngha, Menna Thietza en de Gherreth Kamyngha bi thiogeth en de bi kannet mit desse eppena br eue dat wy deythingis liode in een meen foer garinghe des aftmonddes wessen habbet als twiska Hannyka Ritzeka soen fan Aemland en de Thiede Doekka dochter Hemmemma deer in alducka manere bigripen is als hier ney fulget Int aerste soe jaet en de reket Ritzeka en de Sascher sij soen Hannyken vors. toe frier wt ieftigez birndlinze des jeres hondert klinekerda to rente den klinekert bi sauwenteen flamschem toe recknyen in Uwingha guede a Hwe en [de st]eet in Ritzeka guede to da heer wey en de foert mit dae guede deer Ritzeka vp bert had van Broer 1) Aeylsem Ende hoet des[e] vorser, guede meer draggat toe rentte dan honddert klinekerda Ritzeka dat vp to berran E nde hoet se myn dwaet to rente Ritzeka en de ascher dat toe foer f uilen Enig Ritzeka en de Sascher Hannyken desse vorser, guede fu en de qwnt to lywerien 2) van al oen spreke van hiara weyna iefta Hannyken oders aldus fulla friis guedes to liwerien als vors. is En de Hannyka desse vorser, guede to leten en de to lauwigien hweer dat se God en de dij daed brincht Enie weert secke dat Ritzeka Sascher en de Hannyka vors. enygher handda hemelike eer forwarth mackad hede iefta after forwerth mackia wolde deer desse vors. bimdlentze mey muchte bi kriinst wirda dat hio naet wth kome iefta naet foelie alst God ende dij daed brincht dae al to mael alheel daed en de wanmachtich toe wessan
a Item soe schil Thiedde Doekka doechter vors. lick ney wessa Ende lick fyr tasta to her faderlika guede en de to her moders guede en de to ielkers lauwem als een knappa kynd fan Doekka kyndem Item soe schil Thiede int arste habba oen herren broders deel Broechtsma statta en de dat land akat aldeer to bi heert toe Berdlikum en de Hannyka schil vp Hemmemma statthem to Bessem wannya vnt Doekka sennan to buck westa komat En de is Doeka sennan to buck westa kommen synt Hawnyka hemmen da stattha to remen en de des naet [to wjeygerien En de Hawnyka Doekka kynden mit bihaldena guede toe halden vnt hia to buck westa kommat En de Hannyk[a].... [vo]rscr. kyndenna renten vp barra en de fri habba foer thanck en de foer vn thanck sonde/' aller handa deelschip w.... [buck wejsta kommen synt als vors. is Item soe schillet tweene froede mane kanna twiska Hawnykan en de Wobben hoe n.... soe fulla renten dat Wobba vpberra schil vnt dae kynden to buckwesta kommat Ist secke dat se selff n.... ghe al argelist en de nye fundenisse wt seid in disse vorser, forwerth
b In een weerheit des briewes so habb[a wy Peter Kamm]yngha Menna en de Gherieth vors. deytingis liode wse sighelen oen spacium des briewes hwentzen En de wy .... Doyngha vors. habbet ws sighelen hier mey on spacium des briewes hwentzen Ende om een marra festichei[t soe habba w]y Wobba Poppyngha Renyck Poppa zin en de Schelta Liaukengha deer mondden en de foer warren desse vorser, [kynden syn]t wse sighelen hier mey on spacium hwentzen Int jeer vns Heren M CCCC en de nyogenew tliritich vp sunte .... dey
ARA. 's-Gr. Nass. Dom. 10313 [Ameland). Orig. perk., van de acht aanhangende zegels niets over.
1) Hs. hiervoor ,broder’ doorgehaald.
2) Hs. ,bywenen’.
#215 - 08-05-1440 Testament van Peter Kammengha van Ameland
Int jeer vsis Herens thusend fiowerhundez/ en de fiowertich vp sente Wironis dey zo had Peter Kammengha froed en de wys van zenne al was hy krank van lichama maecked zyn leste testament en de lesta willa en de welde dattet fest machtich scille blywa in aldus dena manere als hir ney scriowen steth
a Int arste zo maecke/ hy to eerwa alzynes guedes tilber en de on tylber wth zeid jeffta en de bokengha zyne fiower kyndan in aldus dena manere dat Sicko ende Zywych scillet habba da twene delan ende Thiamke ende Zacke den threndel zynes guedis ende da stattha to Kammenghabuer scille/ Sicko ende Sywich to forendele habba Ende Thiamke ende Sacke scillet by frionda rede ende by da maerra dele der mondena bostegia zo scille/ hia den thremdel habba Ende Sick zyn lya scil habba da bi hielde der statthena to Kammengha buer ende scil bruka ende regeria alla da guede ond tha kynden to bueckwesta kommeth 1) by rede der mondena der hy da kynden da guede by feilen had als Menno layama Gerrard Kammengha Renyck Kampstera ende Syko Mirtena Item zo habbe/ Peter ende Zyce onder hemman maecked ende by grypew dat th et ene kynd scil vp dat ore lawghia hu danne da friondaw Zyca naeth moye en de myth frede vp da huze en de in da guede lete zitta zo hat hio ther nyes consent to racht dat th et ene kynd vp dat ore scil lawghia Item zo had Peter Zyca to hir lyff stonde to leid alda stethan vppa dyke wth on dath dyap wth zeid Vbele steede 2) Kammengha den scil Vbelo by halda zonder here to zyner lyff stonde en de Garrerd scil aldeer fore weer vp baerra vppa Hoecke alzo fule als hem blyka mey
b Item zo had hy zyne legher stoe by jared to da Jacopinen by vser Frowa tot Noed Item zo had hy hoecke hundek klencarda da scelma dela by her Hoytfs en de her Reynerdfs en de der mondena rede Item da spreke der hy had vp Edo kyndan kampes da by feld hy da monden Dit testament is maecked in fule gudera lioda andword als her Hynricks zyn persona to Kammeghabuer brodcr Thomas Kraen her Hoytis her Renerdfs to Liowerd presteran en de Syko Mertena Renich Campstera Garrerdw Kammengha en de Vbeles Kammengha der aldeer to ropen en de beden weren Jowen en de scriowen des jeris en de dis deis als vorsc. is etc. etc. etc. In ene kenneze disser wirde zo habb et wy Hynrich Hoyt en de Reynerd presteran en de Menno layama Gerrard Kammengha Syko Mertena ende Renyck vse zygele on dyt breeff hanghet Datum als vorsc. is etc.
ARA. 's-Gr. Nass. Dom. 10313 [Ameland). Orig. perk., de zeven aanhangende zegels op een paar kleine fragmenten na verloren. In dorso: Peter Kammyngha testament.
1) Hs. koneth met verkortingsstreep op de o. 2) Er schijnt te staan: Vbeld steode.
#216 - 24-06-1450 Overeenkomst tusschen Haye en Rumka Sasker znn inzake het erfschap door Sasker Doeynga aan Ritska op Ameland nagelaten
Wij Yde Heringhe ende Haye Sasker zoen ende miin hlieth ende bekanneth mit disse jenwirdige compromis ende epena breue det Rumka Sasker zoen voor hem ende voor Keympa zyn broer my Hayen hath ontheten ende to steedth den trimdeel van det eerffschip deer Saesker Doeijnga ws vader Ritska op Aemlawd ws aldvader ende Ael ws aldmoeder deer God nedich moet wessa leten ende lauwegeth habbeth hit se in gold in seluer in quic in claed in land in sand in huijsingha in stinsinga in stoedim in stattim in replyck in onreppelijck het ze in hoedena goedim het se det staeth Rumka ende Keijmpa mij Hayen fan toe den trijmdeel wtseyd den foorndeel deer Ritska myn aldvader Rumken hath toe wijsd neij vuijtwijsinghe Ritska testament Ende dyn foorndeel schillet fiowr noegelijcke maen kanna tweer van elcker syda, har dij foorndeel redelyck jefta toe graet se den naet Ende ist det hiae dijn foorndeel onredelyck fyndeth jefte to graet zoe schilleth disse fiowr deer hiae deer to nymath den foerndeel meetghia jefta mijndria neij hiarra goed tynsen in zoenlicheed ief in ducht ende ist det frov 1) naet eens moegen zoe schillet hia een wra tzesa eendrachtelycke jefte to hloethie 2) hockera oerm volgeth om dyn wra disse kanninga dis foorndeels forscen schilma kanna en de scheya als ic Haija forsc en to bwekwesta kom en de wij Haija, Rumka, ende Keijmpa Aijlen ende Eelcken wse sisteren to lijke wt to jaen ende
to bijreden, en de dat bij manda vrionda reed, alting hijr op to resten, ende een goeden ferd ende friondschip mit mannick oerm te balden sonder eergelist In een weerheed diss is zoe habbeth wij Ide ende Haija foersc en om det wij neen sigel leren sint baden Douwa Siaerda ende Scelta Roorda dat hia dit hreej wr ws wille bi siglia ende wij Douwa ende Schelta forsc en habbet om beede willa Ydens en de Hayens vors. wse siglen vp spatium sbreuis tracht om det wy hier wr ende aen habbeth wessen, Int jeer ws Heerens M. CCCC ende vyfftich ipso die natiuitatis sancti Johannis baptiste et domini precursons.
Tprincipael van deesen was gescreuen in papier beuesticht met twie opgedruckte zegelen van groenen was een weenich gebroecken. Onder doriginale een copie van deesen, in pampier geselen zynde stonde gescr. deese nauolgende acte: Gecollt. tegens doriginale beuesticht als bonen in absentie van mr. Jan Versteueren aduocaet van partye aduerse die daer inne geconsenteert heeft is daer mede beuonden taccorderen behaluen heeft woordt hier bonen gesubreguleert te weeten frov— en was inden principael niet wel leesbaer zoe tselue van ouderdom vergaen was Bij mij, ende ondergeteickent: P. Eemskerck.
Gecollt. jegens doriginale copie van desen gesc n ondergeschreuew, ende geteekewt zoe uoeren verhaelt, is beuonde» daer mede taccorderen d en XXlew Octobris anno XV c . acht en de tzestich Bij mij P. Eemskerk
Fr. Gen. Arch. Sminia, coll. Cammingha. Copia copiae, pap., behoorende tot een aantal processtukken inzake het bezit van de heerlijkheid Ameland. Hierbij nog een tweede copia copiae, pap., in het onderschrift iets verschillend. Vr. Fr. 2g, p. 299.
1) Dit woord is onderstreept. Lees ,fiowr’ (aldus in de andere copie). 2 ) In de andere copie .hlotijen’.
#218 - 06-05-1454 Getuigenverklaring inzake het vervallen der nalatenschap van Anske Ritska dr op Ameland
Alle dae jenne deer dit breef schilleth syaen jefta hera lessen soe dwa wij Hentia Tadingha en de Gerrluf Wyggama ende Sypka Jatiama kuud ende vppenbeer mit disse epena brewe dattet ws wiitlick ende kuud is inder tiit dae sellighe Anske Riitska vp Amlant dochter stoer dat hij o lyoud en de leet enew aften seen bij Syuck Dokama heren afta maen deer hyo al heer gued vp lawijgeth ende dat kint is neij storen ende hath al sijn gued lawighet vp Syuck sijn fader foerscreuen ende Syuck hath aek al sijn gued foerd lawijgheth vp Doden sijn dochter Sijcka Kamywgha wiif dat dit dijo riuchte Godis wird is dat nyrama wij foerscreuen hjode vp ws syel ende consciencia In een weerheed disses breuis vm dattet ws wiitlick ende kettich is als foersc.is soe habba wij Hentia Tadingha ende Gerluf Wyggama dit breef mit ws sygelem bij sygeleth ende ick Sypka Jatiama habbe beden Johannes Ydses seen dat hij dit bree/ vm myn beda willa bij sygeleth hath ende ick Johannes habbe dit breef vm syner beda willa bij sygheleth Int jeer ws Heren M CCCC° ende LIIII vp sinte Johannes dey ante portera latinara etc.
ARA. ’s-Gr. Nass. Dom. 10313 [Ameland). Orig. pap., de drie opgedrukte zegels gedeeltelijk bewaard.
#219 - 16-06-1458 Zoenlieden maken een baer in geschillen tusschen Dode Kammynga ter eenre, Romka, Kempo, en Haya Sasker znn Doynga ten andere zijde
Folkerus byder nede Goeds apt te Lidlura wrmaw Sythia Mertna, Renick Kampstera, Sybrew Hiddaraa, Yde Heraenga 1) soenlioede inder secke ney screuen dwaet kwd ende oppewbeer datter ene schillinge ende twistenge weren twisken Doede Karamywga fander ene syda ende Romka, Kempo ende Haya Sasker Doyngha sennen fander oeder sydae rysende fan Anzke Ritskens fan Aemlant dochters belenze deer mit riuchta lauwa weren bystoren an Doede vors. fan foerwerden ende fan leenda jelde deer Romka, Kampa ende Haya weder van sprecken an Doede hucke vors na schillinge disse vors na igghen habb et byspritzen ende bylouwef op wse vors. wrman ende soenloede aeleng en de klaecklos te rede te riuchte of toe soenlyker soen steed en de fest te halden hath wy te bare bringhet En de wy vorser, wrman en de soenlioed habbet disse secke schioed en de schaet berrit en de wtseyd eendrechtlyke in al dus dena maneer
a Int aerst schillit Romka, Kampa en de Haya vorser. Doede vors. wt wysa vyff en de trytich pondismete yn notfestiga lande de dioe powdismeta mey jelda toe heer IIII schillingen sonder dyken of vyff schilling ranth mey dyken oenbykommereth fan alle hand en te werrien ende te liwryen en de wtuisinge te dwaen eer sancte Micheels dey nest kommende bider wonnana secke. Item hiir ney soe berriet wij dae efter stalliga pacht fan dae lande deer Anzken was te bedense jouwen fry en de quyt daed te wessen destelyka dat leende jeld deer silliga Ritska leend heed ende deer silliga Peter Kammynga breef en de sigel foersteed schil wessa daed en de wtdeen. Item ist seck dat Romka Kampa en de Haya Doeden se wth wysen dat foerbynaemeda land guedelick en de gued ertyrlick als hiir to ferra scriouen steed soe byhaldet wy Folkerws wrman dat sidzen an wse om disse jenwerdiga jeers heer een hoer wyse Doeden aen of toe sidze ende Doede toe gongen op den aeyndom disse vors na landis fan stonden aen ney der wtuisinge En de te jeers dey nest kommen 2) op dae ranten te gongena
b Hiir mey schillit schiouwet en de schaet wessa alle schille en de twyspan deer disse vors na iggen habbet hauwen by twiska en de thiens mawkorem ont dissen dei Hucke vors. baer disse vors. iggen habbet cowsentereth ende aen nemmen mid monde spritzen mid handen louwet steed en de fest toe haulden in aller maneer als toe ferra scriouen steed sonder alle ergh ende list des te teyken der 3) weerhede habbet wy Folkerws apt wr maen Sytia Renick en de Sybrand soenlioede wse sigelen tracht op dissen breef En de ick Yde Herynga hab beden Aesege en Mantegum dat hy disse baer bysigelet haeth. Datum int jeer ons H(er)ens M CCCC LVIII op sancte Vitis jownd
ARA. ’s-Gr. Nass. Dom. 10313 (Ameland). Oude copie, pap. In dorso: cuppya fan een baer.
1) Hs. ,henga’, waarboven ae met afkortingsteeken aan de e. 2) Hiervoor is ,to gongen’ doorgehaald 3) Hierna is ,wirde’ doorgehaald.
#244 - 21-10-1510 Testament van Sasker Heeryngha te Mersum
Inden naema Goedis amen Int jeer van fijftyen hondert en de tyen op alua tusen maechda dey soe haet dy eerbera Sasker Heeryngha tho Mersun hoe wel datter waes cranck van lichaem nochtan machtich en de ghesond van synnen oenmerkende datter naet sykera is dan dy tijtlijka daed en de naet onsykera dan dy wra dis daeds syn testament jef lesta willa ordineret als hyr ney screnen steet in manieren aldus
a Int aerst byfelt hij God syn siel en de bijgezet sy n leegersteed tho Mersum indae tzerka by syn patroen sancte Ponciaen Item hij byspreckt al dyer twijntich hoernthfs golden toe een ny coercappa Item dat heylic sacrament een hoemthys golden Item sancta. Maria een pond waex Item sancta Anna een pond wax Item sancta Katherina Itm sancta Barbara en de sancta Margarita tho gaera een pond waex Item sancte Peter en de Paulws syn apostel een pond waex Item sancte Nicolaws een eynter ryer Itm dae fyouwer biddend oerda elx een tomia coyt en de dae predicawten en de mynre broren dyer to elx een encke/ goldena Item dae broerthys toe Franiker een hoemtWs golden Item Aengu m Item Aelsu m Item Wyswirt Item Sygerswald en de tclaester toe Tijoemaerum elx een hoernthijs golden Item soe macket hij een ewich aedeel to Mersum en de als Tyets syn wyf sterft dan Tietia deel tsy n op toe nymmen en de een ewich deel foer hyra twa bee tho blyuuen en de dyr mey byhlestiget hy Hessama staeta toe Mersum oen dae noerd aestera ig van dae tzerka lidsenio haet dae vors. staeten jef dij steed bettera is dat sel gaen tho een sacraments missa dae renten dyr van
b Item hij byspreckt dy persynna een encko/ golden Item her Donna een enck el golden Item her Renick een hael enck el golden Item dy coster sex st uueren toe miswyn oflaeten Item hij byspreckt wrt deel eelck prester een stoetor ende elck tzerck also fulla Item her Wopka toe Enghun een hoemthijs golden Item dij patroen tho Aesterwijrum een enck el golden Item her Johannes dy persynna al dyer een hael enckeZ golden Item her Gielt een oert golds Item her Claes toe Eelaerd caplaen sex st uueren Item her Claes op Aemland sex st uueren Item aeck byspreckt hij Tietia sy n wyf toe liaefiefta Syorda gued to Mantgum en de afis] hyo lyfs bylywot sy n sex kynden dat dan toe lyka toe deelen Item soe macket hy eerwen van sy n gueden sy n sex ney screuena kynden in dusdanich manier als dat Eelck syn sin sel habba dae staten tho Mersum toe forndel hieteno'e Aesgna ende Haring syn jonxta sin dae stata to Aesterwijrum hieten de Gar- baeda aec toe fomdel en de foerd dae oer fijouuer kynden als Abba syn jeldersta sin: ende Hys syn dochters kynden : dae toe gaera staenda in hyra moers steed: Doed en de Ysck sijn twa dochteren mey syn twijer synnen Eelck en de Haring vors. dissen sex vors na bynaemda kynden sella mey mencoeren to lij ka eerfscip jef renten taesta wtseijd dae vors na staeten alst vors. is
c Orkenen hyr toe roepen en de baeden als her Sybryn persynna toe Mersrnn her Renick prebendarins: Feya Oenija Pijba Hetta zoen: Sipka coster en de her Donna toe Mersuw als syn testamentoer En de om maera festicheft ende wyerheed van dit vors. testament soe hab ic her Sybryn vors. foer mij self als een toe roepen orkena myn sig el set opt spacium dis breuis en de wy her Renick Feya Sipka ende Pyba wy vors na orkenen habbet baeden den eerbaeren her Egbert persynna to Deynum dat hij dit testament foer ws woe sig ilia dijr ic Egbertns hab dijen om hyra vors na beeda willa opt jeer en de dey alst vors. is. ic her Donna hab dit br eef jef testament onder- screnen mey myn seluis hand al opt jeer en de dey alst vors. is etc.
RA. Lw. Arch. Eys. Oude copie, pap. In dorso: Copia fan silleghe faers testament Idem met andere hand: Saskar Heringha testament
Uit: OFO III
p6
liode, dwaet kuud, kanlick, ende oppenbeer mit disse epene brewe ende baer, dat deer was ene schylige twiska Haya Heringa, ende Yde sin moder, fan ene side; ende Wyggla Renicks zoen Kamstra, fan de ora syda, rijsende fan Wygla berlinze ende Eelke berlinze, ende fan sillige Saskeris Doynia lauwen ende erruschip, in elke loege, hwer dat dit lidezen is, hit zee op Aemland, jeff in Ferwerdera-deel, jeff in Donerradeel ende inder Aestringa, ende aeck fan sillige Keimpa Doiniga lauwen en erru-
p7 hyt bewijsd hat fan Garbada gued als forscrjoen is; e Item om sillige Keimpa lauwen, zoe sidzet wy, alle da guede deer him aen kommen weren fan faer en faen aeld-faer, deer schillet Rimka jeff syn kynden ende Aert habban da twa deel, om dat Keimpa hiaer fulbroer was, ende Haia ende Eelk den tremdeel om dat Keimpa hael-broer was, in alle logum deerze lidzen sint, ende hatze wrasckia 4) mogen wtseyd Jelmera stins stoe ende staten mit dat forndeel 5) ende heer- neneed? op Amland, dat schei? Haya habba a) int een ende int feer?. f Item da tien pondameten deer mit Saskerts testament byhlestigen sint in Onga gued, da bute da deelschip to bliuven, ontertijds daat Saskers buckinga bystellet; g Item so sidzet wy Doeden to fijff ende twintiga pondameta to in Enge gued, ney inhald deer baer twisak Doeden ende Saskers kynden; h Item on Reinck Her Juusma fangenschip ende raeff ende schade, deer Wigla deer fan hoed den schada enbata, schel Wigla selm habba, ende Haya ende Romka
p23
Uit: OFO IV
p9
13-3-1483
Broer Tijmen te E. en Lijwa Bolta vidimeren het testament van Ritska Ielmera Wy broder tijmen nuteryt woenheftich toe E. ende Lijwa Bolta bij kennit ende bytioeget mit dessne Ieghenwoordigen breue hoe dat wy jabbet zijn een testa- ment ende Leste willa dir Ritska Ielmera 1) 'den' god nedich zee In vortyden hat mackit ende Is bysegelit met v segelen/ hwelck Testament voorscreuen hault In van werd to werd als hyr ney screuen steet/
In nomine domini Amen/ Dit Is Ritschen Ielmera' Testament of zyn Lesten willa al was hij cranck van Lichame hij was toch wytlyck ende gesunt van sinne In alsulcke forma ende maniere als hijr hae staet/ Item In dat erste dat hij mackit toe rechte erffnamen al sins gueden Remmeka/ Kempa ende h... 2) wt ...3) iefte almisse ende buk ... 4) ende zie tre broders hoer twe susteren als aeijle ende elcken wt toe beraden by vrende rade/ Item van diss voorscreuen guden zoe zal Remmeka vor die bernth der zelen Ielmera state to bisitten ende penningen hure als sie Ielmera steede gadelicx Liggnede Is nae Ritschen doot. Item zoe Legget Ritska Ioucken zynre doch-
p10
dit testament toe verbeteren/ ende met to vorargeren bij der peene die voorschreuen Is als Remmeka ende kempa gelouet hebben/ In zijn handt als hij legghede was In zyn cranckheijt In heere Frederick persone op Ammelandt heere vbele to Blije heere Ropka to merrim ende tgeert zytgijma iegenwerdicheyt wat 13) wij voorscreuen Luden sonderlinge zijn daertoe gebeeden ende geroepen van Ritschen ende op een mera vasticheyt ende waerheyt disse voorscreuen ponten zoe hebben wij soorscreuen Luyden onse segelen vpt spacium disses thiegenwerdigen testaments gedruckt om Riska Remka ende 14) kempa beede willa/ ende Ick Ritsche voorscreuen In mere getuuch des waerheijts/ heb seluve mijn zegel op spacium disses breues gedruckt. Int Iaer ons heeren dusent vierhundert ende vijfftich ghescreuen vp sinte Anthonis dach confessoris.
p15
ene syda Remka oftha kampa fon der oer syda eerloes trouloes ende meenedich
p39
Haija Heringha aan de ene en Zioela Siidtzen Buwyngha vanwege zijn vrouw Jetthie aan de andere kant brengen hun geschillen op zoenlieden
[Wy haija heringha fander eene]r sydae Ende zioela siidtzen buwyngha jet- this syn liaw zalige Romcka dochter doijnghia weyna fander oeder sijdae/ hly- et] ende [bijkannet] m[eij disse Ienwirdige] breue ende compromis hoe dat wy al wse
5 [...] 10 [m]oeder syda Rysende fan zalige Ritska wngha Testament eerwenschyp ende lauwa ende zaligha sasker doynghia eerwenschip ende lauwa Ende foerd dae lauwa deer Romka ende kempa lauwiget habbat Ende allen dat fan hiara gueden ende lauwa is wtspritzen dat hya al hiara schylinga hit zee fan land fan sand fan lydzende 15 eerwe of fan staende hwsen land renten hwsis her hit zee fan gold fan sel- uer fan wee fan bodele wan quyck fan klaede Ende fan alle gueden litick Ende Hin haere ende in cum? in ?ge Kempa .... omepnck? sonderinghe om son? ende stata stenze ende weynnynghe in balnera 4) buren mith hiara landen ende toe byherende landen ende land ende renten 5) op Aemland also dene als hiara renten 20 in alle loegen deerse in freesland lydzen sinth. Item om da sanne fan lande ende landsrenten deer doede kammyngha hath to sprecken op zalige Romka Eerwen ney wtwisinge der baer ende baerbrewinge deer doede kammyngha deer op haed ende mey om dae waldede fan breck ende brand
p41 20
bruken soe bid ick her herman personne to ferwerth dat hy dit breeff om myne bede wille wold byseglie ende ick her herman vverscreuven om wybrandts bede wille dyt breef habbe bysegheleth Ende om een mara festicheet hwant wy her syurd broer benna ende jeppa to foldeghum in disse seck habbet jenwerdich 25 weysan ende self nen syghel synt feren soe hab ick her syurd verscreuen beden her herman pers[s]onna to yeslem dat hy dit breef wolde byseglie ende ack her herman verscreuen om her syurds beda wille dit breef habbe bysegliet ende
p42
25 Item soe schilleth zalige romka kynden foersreuen doede kammyngha haya liaw forsreuen wtwisa in nowlike Rantha in ferwerda deel jeffta op Aemland Hweer dat hya liawest willet toelf beyers goldena rantha fan dae tritich deer her by foer- tiden toe seyd weren Inder baer twisken doeden foerscreuen ende Romka keympa Ende haya saskers sennen Ende hath doeden forscreuen hyr an ontschurt dat schil 30 haya doeden forscreuen forfulla mit syn gueden Ende disse iggen foerscreuen doeden foerbynaemd wthwisinghe al hyr fan toe dwaen hwanneer dae soenlioed forcreuen
Uit: Groot placaat en charter-boek van Vriesland, vol I [69]
10-0-1396: De Graaf vergunt die van Ameland onzydig te mogen zyn tusschen hem en die van Oostergoo en Westergoo [70]
Den 10 Juny 1396
Elbrecht & c doen cond dat die goede luden van Aemlant in Oestvrieslant mit ons overdragen hebben rustelic ende vredelic te ſitten ende te bliven tusschen ons ende den Oiſtvriesen van Oeſtergoe ende van Westergoe voir ons ende voir allen onse hulperen ende des hebben sy ons weder geloift in alre manieren ende vormen alse die van der Scellinge mit ons gedadinct hebben ende onſe brieven die wy den selve luden van der Scellinge dair of gegheven hebben inhouden ende begrypen ende hier voir hebben sy ons selve also vele gedaen so dats ons wail genucht In oircunde & c Gegheven in den Hage x dagen in Julio anno XCVI Item desgelicx hebben sy enen brieff mit ten clenen Segel
Register en Leenkamer van Holland Memoriale BD 1351 1396 Cas R Fol 155 verfo 257
11-08-1398: Arent van Egmond beleent met het Eyland Ameland en het Bild gelegen tusschen Minnertsga en Mariengaarde [71]
Den 11 Augusty 1398
Elbrecht & c ende Willem van Beyeren & c bi derselver ghenade Grave van Oistervant doen cond allen luden want onse lyeve ende ghetrouwe Heeren Aernt Heer van Egmonde ende van Yselsteyn ons Mairscale ende Bil als voirscreven is van ons ende is tusschen Meynaertsga ende Sinte Marien gaerde mit synre vriër heerlicheit in hoghen ende in laghen ghelyc van Aemlant voirgescreven is te houden beyde Aemlant ende beleder van onsen Heer gheweeft heeft op ons lant ende luden van Oistvrieslant doe sy bedwongen worden ende in handen ghingen dair hi meninghen zwaren arbeit ende truwen dienst ons in ghedaen ende bewyst heeft die wy ymmer aenzien willen ende niet en staet te vergheten dair om dat wy hem ghegeven hebben ende gheven om al ſulk weldoen ende truwen dienst wille als voirscreven is ende hi ons mede voirtyts al toes bewyst heeft ende noch bewisen sal Aemlant mit alſinen toebehoren dat ghelegen is aen die Scellinge dats te verstaen put te ende galghe in hoghen ende in laghen als een vrye heerlicheit toebehoert wtgeſeit die zeevont ende die tollen die houden wy aen ons selven. Item so hebben wy hem mede ghegeven een wtlant gheheten Bil dat aengheworpen is buten dycs ende ghelegen onsen nacomelingen, Heeren Aernt Heer van Egmonde ende van Yselsteyn ende ſinen nae comelingen ten erflien. In oirconde & c Ghegeven tot Staveren Sonnendages na Sinte Louwerens dach Anno XCVIII
Jussu Dominorum Ducis & Comitis Presentibus Dno Burchgravio & Wilhelmo de Couster archidiacono S ex Coff S de Couster præpofitus Ecclefiæ Montenfis Hannoniæ
Register en Leenkamer van Holland Liber V 1390 1401 Cas E Fol 291 verso Zie Mieris Charter Boek 3de Deel pag 686
29-08-1405: Uitspraak of Staatsgewyze verklaringe over de vryheit van de Heerlykheid Ameland [72]
Den 29 Augusty 1405
Ali jene theer thit brieff schellet sjaen jefta herra lese so dwaet wy Riogt und Reed ther Landen und ther Steden und deelen van Oostergoo und van Westergoo nu voergaderet tho Hartwerdt kundt und oepenbaer met thisse oepene brieffe that wy t habbe fun then anthe wysd anthe begrypen in that you wech stethe anthe feste tho haldene that tha van Amelanthe schellet wesa vry anthe qwyt anthe onbehleſst van alle riochten anthe fan alle bernthe in Ferwertheradeel jefta in eenige deele in onse lanthe fan Oostergoo anthe fan Westergoo anthe by hemna selven schillet riochta anthe hiarra riocht by hemma selve schillet fera alsoe alsse tha fanthe Schylige dwaeth alle thing sonder argalist In eene Allen weerhed voor alle tha jene the thit brieff schillet syaen jefta herra lese habben wy Ste den anthe Delen fan Oostergoo anthe fan Westergoo voorſz the ouse naemen by ou se syg len jefta secreten schrieun staet thit brief besyglet in tha ieer onses Herren Jeſu Chriſti thousent fiouwer hondert anthe vyf Sinthe Johannis Dey decollatio
Aan den Principalen zyn geweest zeven uythangende Zegels doch tegenwoordig so als het noch onder den Heere van Amelandt berustet hangen er vyf zegels aan de twee plaatsen door langheyt des tydts zynde leedig geworden
VERTAALING
Allen den genen die defen brief zullen zien ofte horen lesen Soo doen wy Recht en Raden der Landen en der Steden sampt deelen van Oostergoo en Westergoo nu tot Hartwerdt vergadert kondt en openbaar dat wy t hebben gevonden en geweesen en be grepen in het eeuwig stede en vast te houden dat die van Amelandt sullen vry en quyt en onbelast zyn van alle rechten en van alle jurisdictie in Ferweradeel of in eenige Deelen van onse Landen van Oostergoo en van Westergoo en dat zy by haare selven ſullen rechten en haar recht by haar selven ſullen voeren gelyk die van der Schelling doen alle ding ſonder arghlift In eene waarheyt voor alle de gene die dit brief sullen zien ofte hooren lesen hebben wy Steden en Deelen van Oostergoo en van Westergoo voor schreven die onze naemen by onze zegelen of ſecreten geschreven staan dit brief bezegelt in t jaer onses Heeren Jeſu Christi duysent vier hondert en vyf op St Jans onthoofdinge dagh.
Huberi Opera Minora Tom II pag 5 & 6 Dog in de Vertaaling verbetert
07-10-1405: Die van Ameland hun beraad genomen hebbende op de aan hun gegevene Vreede en veyligheid zoo geeft Graaf Willem vrygeleyde aan Claas Dey van Harderwyk om derzelver antwoord aan hem over te brengen [73]
Den 7 October 1405
Willem & c doen cond allen luden die goede lude van Amelant mit ons gedadingt hebben dat sy van ons onsen landen luden ende hulpers vry ſullen sytten up Amelant ende veilich wesen sullen over all in den onſen ghelikerwys als die brieven die ſy van ons hebben dayr off inhouden ende begripen up welker dadinge ende veylicheit voirscreven ſy noch hoir beraet ghenomen hebben ende ons gheloift dat ſy ons een antwoerde daer off fenden ſullen Soe heb ben wy gegeven ende geven mit desen brieve Claes Dey van Harderwyck een goet vry vast en seker geleide veylich up Amelant te trecken ende weder van daenen te comen over all duer den onsen te water ende te lande om ons een antwoirde te brengen van den goeden luden voirscreven In oirconde & c Gegeven in onsen bezitte van Hagensteyn ende Eversteyn zeven daghen in Octobri Anno M CCCC ende vyve
Register en Leenkamer van Holland Memoriale B Н 1404 1406 Cas R Fol 38
21-05-1409: Vrygeleyde aan die van Ameland gegeven [74]
Den 21 May 1409
Item op ten selven dach a heeft myn Heer geleide gegeven den goeden luden van Amelant die by hun comen ſullen om hoir gebreck te thonen dat sy meynen dat sy hebben ſouden an myns Heeren ondersate Ingevolge het voorſz Register is die zelve dag den 21 May 1409 tot negen personen toe duerende tot Sint Jans daghe toe te midsomer naistcomende off daer en binnen achte dagen lang na myns Heren wederseggen
Register en Leenkamer van Holland Memoriale BC 1408 1410 Cas R Fol 55 verſo
27-02-1421: Vrygeleyde voor de afgezondene van Ameland [75]
Den 27 February 1421
Up ten xxvijsten dach van Februario (a) gaff myn Heer den goeden luden van Amelant wt Vriesslant geleyde tot X personen toe off dair onder duerende die iiij Paescheilige naestcomende wt ſonder arglist om dair en binnen by mynen Heer te comen ende mit hem te spreken & c
Register en Leenkamer van Holland Memoriale BL 1420 1421 Cas R Agter aan het 4de ongenumert blad
(a) Te weten volgens het meergemelde Register van den jaare 1420 ſecundum stilum curiæ dus 1421
03-04-1421: Die van Oostergoo Westergoo en Stavoren maaken een Verbond van Vreede met Hertog Jan van Beyeren Voogd van Holland enz ingevolge van den brief des Hertogen van den 4 November 1420 [76]
Den 3 April 1421
[...]
Ende alle dese puncten ſullen bruken ey ande ende ommelande die den lande voorschreven toe behooren ende mit hem in deser dadinghe voirschreven besoent willen wesen wtgheset Amelant a ende die Schellinghe. Datum Medenblick tertia die Aprilis an no M CCCC XXI
Mieris Charter Boek 4de Deel pag 574 Leenkamer F.L. 10. Fol. 10. by Bockenberg MS.
p614, is gelijk aan OFO II #64 [77]
Uit: Verslag aangaande een onderzoek in Duitschland naar archivalia belangrijk voor de geschiedenis van Nederland], Pieter Johannes Blok, 1888 [78]
1444-14445: Bremischer Urkundenbuch, Verslag aangaande een onderzoek in Duitschland naar archivalia belangrijk voor de geschiedenis van Nederland, Pieter Johannes Blok, 1888 [79]
- 23. 11 Juli 1444. Groningen vraagt schadevergoeding voor die van Ameland bemoeilijkt door Bremer uitleggers.
- 24. 12 Juli 1444. Groningen vraagt de teruggave van een door Bremers genomen schip toebehoorende aan Reynke Meckens te Groningen.
- 25. 6 Sept 1444. Groningen vraagt op nieuw om recht voor die van Ameland en zendt tevens het traktaat tusschen Bremen en Ameland over dat door de Bremers niet erkend werd.
- 26. 23 Nov 1444. Harderwijk vraagt vergoeding voor schade aan een burger van de stad toegebracht
- 27. 22 Dec 1444. Herhaling van dezen eisch.
- 27. 1 Aug 1445. Wy Rytzeko Ungha, hovetlijng, unde ghemenen landlude und inwoners des landes Ameland, sluiten vrede met Bremen. Zegels van Rytzeko, Frederijck, kerkheer van Ameland, en de Oldermans en Raad van Dockum.
Uit: Archief voor vaderlandsche, en inzonderheid Vriesche geschiedenis, oudheid- en taalkunde, H. W. C. A. Visser en H. Amersfoordt, vol 1, 1824 [80]
Historie van Vriesland door Peter Jacobsz. van Thabor [81]
1463
Int iaer ons Heren M CCCC ende lxiii nam Doyngha oerloch een ommeslach van dese broeren ende swagheren; eerst teghen Gaela to Coldum, ende nae teghen Jancka Douwma; soe dat, nonis Septembris wort gheuanghen Syrick Doyngha, ende daer nae op sinte Anthonys auent wort gheslaghen Kempa Doyngha van Ygha Gaelasz. Daer nae began Haring, Jancka Douwma landsaten te berowen toe Yrnsem, ende branden Jancka huys, ende sloghen hen volc af, voer ende nae, ende hielden open oerloch teghen Jancka, van Botta huys toe Yrnsem.
Int iaer ons Heren M CCCC ende lxiii nae Paesschen, wan Haring, Jancka stins toe Yrnsem, ende worpet om, ende dreef Jancken alheel van Yrnsem. Doe waren Doyngha noch meer ontsien, dan sy ye te voren, beyde in Oestergo ende Westergo, ende in den Seuenwolden, ende ten was niet te sien dat yemant solde teghen hoer fetten dorren. Doe branden sy, ende roueden to Ackrum, toe Born, ende toe Wommels, ende deden vele luden groten onwille.
Int iaer ons Heren M CCCC ende lxiii worp dat rat van auentueren weder omme, ende viel Doyngha teghen. Want Jancka ende Gaela toe Coldum, mit hoer soldye, ende mit die Woldlueden, beley den Agga in Ackmaryp, ende hongherden hen af, ende Agga quam by nacht of, ende sie creghent stins, en de worpent om. Corts daer nae toech Jancka voer Renicks huys to Ackerum, ende creech dat oeck, ende nam Renick gheuanghen; want hyt mit Agghen hielt. Nae onser Vrouwen dach assumptie, toech Jancka an die Gheesten, ende wan Kempa Doyngha stins toe Hemelem, ende worpet om; ende daer worden ix of x mans van die droefen doet gheslaghen.
Int iaer ons Heren M CCCC ende lxiii, ind' octave onser Vrouwe dach nativitathen, wort gheslaghen Tyard Meckum, ende Runka Doyngha huys wort omme gheworpen.
Int iaer ons Heren M CCCC ende lxiiii, quinto Idus Octobris, was Jancka Douwma toe Aylsem int cloester, mit vele volckis, ommet huys toe Yrnsem te winnen, alsoe dat Haring Doyngha teghen hen quam mit Hetta Dekema, ende, Werp Tyarda opter Gheest, Douwa Abbama van Stiens ,Tyebba Onasz, Ona Wytghasz, Doecka Soudens, mit vele volcks, veel meer dan Jancka hadde, ende oeck beth ghewapent, ende toghen des daghes nae sinte Gereoen ende sinte Victoers dach, ouer die Born tot Jancka, ende ghinghen te stryde alsoe datter een swaer slach toghinc. Daer worden vallich ende gheslagen Hetta Dekama, Haring Doyngha, ende Ona Wynthyasz mit weyních ander volckes. Ende ander houelinghen ontliepen, ende die mient. Doecka Soudens wort ghevanghen. Daer bleef vele wapens: oeck peerden ende clederen; niet vele volckes. Des daghes daer nae vloghen die ruters van Hiddama stins opt Nyelant, van anxt, ende lietent ledich staen. Mer Goslic Juwinghe quam daer op, ende Jancka creech Donthya stins to Yrnsem; ende twie daghen daer nae creech Jancka, Watthya Mennasz stins, daer Botta voerfcreuen op woende, mit ghewelde. Vele meer oerloghe isser gheweest, beide in Oestergo ende Westergo, ende oeck omtrent Saske Groninghen, ende om Leewerden; ende in Ferwerderdeel wasser grote twydracht tusschen die partye; die duert tot noch toe, ende sint vele houelinghen omme gheslagen, onder welcken die laeste was Tzaling Sitthyma. Ende die laeste van die Vetcopers was Runka Doyngha; die wort ghebrant in 1463 die kercke toern, int iaer lxiii omtrent sinte Marten.
Uit: De staatkundige en rechtsgeschiedenis van Ameland tot deze eeuw, Jan Houwink, 1899 [82]
Hoofdstuk 1, p28-29 [83]
Sasker vóór hem was overleden benoemt hij tot erfgenamen zijne kleinzonen Remmeka, Keimpe, en Haye, en vermaakt den oudsten, Remmeka, Jelmera State, door hem zelf waarschijnlijk daar gebouwd vor die bernthe der zelen 1). Remmeka, of Romke, zich noemende Donia of Doynghia en zijn broeder Keimpe zijn gewikkeld in den Donia oorlog en worden beide in 1463 gedood 2). Keimpe kort na Romke, zooals blijkt uit een stuk van 9 Augustus 1466, waar gesproken wordt van Keimpe's nalatenschap, en Jelmera State hieronder wordt genoemd, en uit een stuk van 10 Augustus 1474, waar Haye's eigendom van Jelmera State wordt vergeleken met die van Romke. Keimpe's eigendom had dus te kort geduurd om een vergelijking daarmede toe te laten. Keimpe is dus een korten tijd na den dood van zijn broeder eigenaar van Jelmera State geweest, en wordt daarin opgevolgd door Haye, die zich naar een state van den eersten man van zijne moeder, welke state in zijn bezit was, Heringa noemde en later, toen hij door zijn huwelijk met Doedt Dokema, weduwe van Sicke Camminga, Cammingahuis te Leeuwarden en Cammingaburg ten oosten van die stad had, verkregen Haye Camminga. Het duurt niet lang, of hij krijgt o. a. over de erfenis van Keimpe Donia, waaronder Jelmera State, geschil met den echtgenoot zijner zuster Eelck, Wigle Camstra, welk geschil 9 Augustus 1466 (St Laurentius jound) door zoenlieden wordt beslist, en Haye toegewezen "Jelmera stoe en staten, mit dat frondeel
1) Copiae Testamenti: fam. archief v. Sminia, Vrije Fries XIX, 296. 2e fideicomm. registr. boek v Fr. fol. 519. 2) Petrus Thaborita I, 16-20 Arend II, III, 213-218
p29
ende Heerlicheed op Aemland" 1)
[...]
1) Schotanus. De geschiedenissen kerckelijk ende wereldtlijck van Friesland-brieven en documenten, blz. 84.
[...]
Hoofdstuk 2, p100-102 [84]
[...]
Een derde factor die tot de tot standkoming van een alge meen bestuur had kunnen bijdragen het optreden tegenover den vreemde, was evenmin zeer krachtig. De onderhandelingen met den Hollandschen Graaf kwamen weinig voor en aan verdragen met andere grietenijen namen de Amelanders nooit deel, terwijl de vredebrieven van de Friezen met de Graven van Holland in welken vrede Ameland en Terschelling begrepen zouden zijn, nooit door afgevaardigden der Amelanders werden onderteekend. Zoo zien wij dan ook dat in 1409 en in 1421 door den Graaf van Holland vrijgeleide werd verleend den gueden luden van Amelant,tot negen personen toe in 1421 tot X personen toe 1). Zoo waren dan de Amelander dorpen in hun gebied oppermachtig en leidden geheel hun eigen leven. Door zich op gepasten tijd van de goede gezindheid van den Graaf van Holland te verzekeren en tegelijk goede vrienden met de Friezen te blijven, wisten zij zich zeker voor den een de relaties met den ander verborgen houdende buiten den strijd en hunnen handel in Friesland 2) en Holland 3) onbelemmerd te houden.
1) Chb v Fr I 368 425 2) 16 Febr 1400 permissie van de Noordel. grietenijen van Oostergoo aan de Amelanders om handel te drijven tot Goinga toe (RA den Haag) 3) Brieven van den Graaf van 6 Oct 1405 (Chb v Fr), 21 Maart 1429 (RA den Haag), 20 Juni 1469 (Huber, Opera minora II 150) dat sij veilich varen comen merren ende keren sullen overal in den onsen
p101
Met het optreden van Ritske Jelmera treedt een nieuw stadium in. Hij en zijn opvolgers wisten zich door hunne hooge positie eene groote macht op het geheele eiland te verschaffen, en Ameland te maken tot een eenheid, tot één staat onder hun bestuur. Ritske Jelmera wordt het eerst vermeld in de rekeningen der Graaflijkheid van Holland 1). Omstreeks 1424 'dadinegde' hij 'mit miins genad. Here raide dat hij met dien van Amelant onder die graeflicheyt bescutt soude wesen ende soude geuen siin Huysgelt jairlicx daeraf' en betaalde dit huisgeld ook later, gelijk uit de quitanties 2) daarvan blijkt. Waarschijnlijk was hij kort te voren op Ameland gekomen, en had hij daar Jelmera State gebouwd. Waarschijnlijk is dit omdat wij vóór dien tijd niets van deze state of haren bewoner bemerken, wat als zij eerder had bestaan, bij de onderhandelingen met den Graaf van Holland wel het geval geweest zou zijn, immers de bewoner daarvan ware dan de aangewezen persoon geweest ook dan de eilanders te vertegenwoordigen. Bovendien is Ritske volgens zijn testament 3) gedoopt en dus waar schijnlijk geboren te Ternaard, en werd hij in lateren tijd voor den stichter van Jelmerahuis gehouden. Zeker is dat hij in 1429 op het eiland woonde en eene boven allen verheven positie innam daar hij genoeg aanzien bezat om de inwoners alléén te vertegenwoordigen. In den vredebrief van Bremen van 1445 up sunte Peters
1) 1428-30 fol. 24 verso 2) RA den Haag 3) Copie (c1564) van een vidimus van 1483 in het fam. archief v Sminia (Fr. Genootschap), gedrukt Vrije Fries XIX 296. Copie in het 2e fid. comm. registr. boek 519. (RA Leeuwarden)
p102
dach ad vincula 1) wordt hij genoemd Rytzeko Ungha hovetlyng, en hieruit kunnen wij wel eenigszins opmaken welke zijne positie op het eiland was. 't Woord hoveling zegt weinig, de edelen in Friesland worden dikwijls zoo genoemd. Het woord beteekent geene macht, maar de hovelingen, de aanzienlijksten in de dorpen en grietenijen, hadden als zoodanig, en ook als de grootste grondbezitters, veel invloed. In de stukken in het Charterboek van Friesland vindt men ze zeer dikwijls genoemd en wel na de grietmans, mederechteren en prelaten. Zoo was Ritske ook, als eenige hoveling, daarbij als groote grondbezitter, iemand van zeer grooten invloed in Ballum, het dorp zijner inwoning, maar ook in de weinige zaken die het geheele eiland betroffen, en hiervan uitgaande wisten hij en zijne opvolgers hunne macht gestadig uit te breiden. Wanneer in krachtige steden, als vooral Franeker, Bolsward, Sneek één hoveling zich alle macht kon verwerven 2), hoeveel lichter dan hier waar de bevolking betrekkelijk arm en onontwikkeld was en hij geen mededinging had te vreezen!
[...]
Familie- en erfenisoverzicht Kammynga/Heringa
Stamboom en huwelijken
Ritske (c1383-1450)
├─ Eerste huwelijk: Tjemck († >1430)
│ ├─Sasker Heringa († <1450)
│ │ ├─ Eerste huwelijk: Hilk († c.1431)
│ │ │ ├─ Romke Donia
│ │ │ ├─ Kempe Donia
│ │ │ └─ Ael
│ │ └─Tweede huwelijk: Idt van Aylva (weduwe van Heringa)
│ │ ├─ Hajo Heringa († <1499)
│ │ │ └─Eerste huwelijk: Dodonea Sjucksdr Dekema († 1499)
│ │ │ ├─ Siouck Camminga
│ │ │ └─ Peter Camminga
│ │ └─ Eelck x Camstra
│ ├─Jouk
│ ├─Jeltse
│ ├─Wits
│ └─Anske x Sjuck Dekema
├─ Tweede huwelijk: Ayl (x <1450)
└─ Buitenechtelijk: N.N.
└─ Hannyke
├─ Eerste huwelijk: Thiede Doekes Hemmema (†? 1336)
└─ Tweede huwelijk: Doedt († c1485)
---
Dodonea Kammynga († 1499)
├─ Eerste huwelijk: Sicco
│ └─ Gratiana Kammynga († c1476) x
│ └─ Peter Kammynga (†<1458)
│ └─ Doede Kammynga (†? <1466)
├─ Tweede huwelijk: Hajo Heringa
│ ├─ Pieter Kammynga (vernoemd naar zoon uit eerste huwelijk)
│ │ └─ Gratiana (dochter van Pieter, vernoemd naar Dodonea's dochter uit eerste huwelijk)
│ └─ Sjouck (dochter) krijgt trimdeel
- ↑ Groot placaat en charter-boek van Vriesland, vol I, baron G.F. thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg #257, 1768 , 10-6-1396; Ameland en de Van Cammingha's (2), Amelander Historie
- ↑ 1794. Akte van neutraliteit en vrijgeleide van hertog Jan van Beieren aan de heren van Ameland in zijn gebieden, 10 december 1405
- ↑ Groot Charterboek der Graaven van Holland, van Zeeland en Heeren van Vriesland, deel III, Van Mieris, 1755 #686, 11-8-1398
- ↑ Oebele Vries, Ferdban. Oudfriese oorkonden en hun verhaal
- ↑ 1795. Akte van bevestiging van Philips van Bourgondië, ruwaard van Holland, van de brieven van Willem en Jan van Beieren en van Jan van Brabant aan de heren van Ameland betreffende vrede, neutraliteit en vrijgeleide door zijn gebieden. Afschrift. 21 maart 1428
- ↑ Analyse op basis van OFO I–III en latere historiografie; synthese van verspreide vermeldingen.
- ↑ Zie o.a. literatuur over Camminghabuer en de belening van 1398; secundaire samenvattingen bij Stinsen in Friesland.
- ↑ Ameland en de Van Cammingha's (2), Amelander Historie
- ↑ P.N. Noomen, 'De familie Cammingha in de middeleeuwen: haar relatie met de stad Leeuwarden en haar positie in Oostergo', p60
- ↑ OFO I–II; genealogische reconstructie op basis van verspreide vermeldingen.
- ↑ Contextuele analyse; vgl. O. Vries, Ferdban.
- ↑ Hypothese; gebaseerd op rolverdeling zichtbaar in OFO-bronnen en stedelijke context Leeuwarden.
- ↑ OFO II #219, 14-6-1458
- ↑ Analyse op basis van erfopvolging Jelmera/Camminga, OFO III–IV.
- ↑ Synthetische conclusie.
- ↑ 1795. Akte van bevestiging van Philips van Bourgondië, ruwaard van Holland, van de brieven van Willem en Jan van Beieren en van Jan van Brabant aan de heren van Ameland betreffende vrede, neutraliteit en vrijgeleide door zijn gebieden. Afschrift. 21 maart 1428
- ↑ 1795. Akte van bevestiging van Philips van Bourgondië, ruwaard van Holland, van de brieven van Willem en Jan van Beieren en van Jan van Brabant aan de heren van Ameland betreffende vrede, neutraliteit en vrijgeleide door zijn gebieden. Afschrift. 21 maart 1428
- ↑ Amelander Historie; neutraliteitsaktes 1396–1405.
- ↑ Vergelijking Fries hoofdelingenrecht en feodaal leenrecht; OFO II #216, 24-6-1450, 1486.
- ↑ OFO I, #326, , 21-2-1483
- ↑ Algemene literatuur over Friese stinsen; Stinsen in Friesland.
- ↑ Secundaire bron: Stinsen in Friesland; als 'heren van Ameland'
- ↑ OFO II #215, 8-5-1440
- ↑ Adelyk en Aanzienelyk wapen-boek, A. Ferwerda, 1760
- ↑ OFO II #219, 14-6-1458
- ↑ OFO II #216, 24-6-1450
- ↑ OFO II #218, 6-5-1454
- ↑ OFO II #214, 1439
- ↑ OFO I #342, 13-7-1485
- ↑ Vooruitwijzing naar hoofdstukken 4–5.
- ↑ Structurerende vooruitblik.
- ↑ P.N. Noomen, 'De familie Cammingha in de middeleeuwen: haar relatie met de stad Leeuwarden en haar positie in Oostergo', p63-64
- ↑ OFO II #18, 1410
- ↑ plaatsvermelding Dongjum.
- ↑ Algemene rechtspraktijk in Westergo; vgl. OFO II, [1], [2] diverse rechtsomgangen.
- ↑ OFO II #18, 1406-1438 [https://www.google.nl/books/edition/Groot_placaat_en_charter_boek_van_Vriesl/nlRkAAAAcAAJ?gbpv=1&pg=PA504&printsec=frontcover Groot placaat en charter-boek van Vriesland, vol I, baron G.F. thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg , 1768] 1433, 1410 en OFO II #17, 1-4-1433
- ↑ OFO II #10, 25-7-1417
- ↑ OFO II #17, 1-4-1433
- ↑ OFO II #18, 1406-1438
- ↑ OFO II #17, 1429?, 1429.
- ↑ OFO II #216, 24-6-1450
- ↑ OFO IV.
- ↑ Laatste vermelding: OFO II #18, 1433, item w 1433
- ↑ FC2, 1511–1543.
- ↑ Canon van Ameland; Stinsen in Friesland, Ballum. Wikipedia Camingaslot, Amelander Historie, Wapenboek, Ferwerda, Cammingha-slot
- ↑ overeenkomst met de graaf
- ↑ woordvoerder van Ameland
- ↑ vertegenwoordiger
- ↑ woordvoerder, 1429
- ↑ OFO II #216, 24-6-1450
- ↑ OFO I, #326, , 21-2-1483
- ↑ 1794 Akte van neutraliteit en vrijgeleide van hertog Jan van Beieren aan de heren van Ameland in zijn gebieden, 10 december 1405
- ↑ bevestiging door Karel de Stoute, secundair
- ↑ OFO II #219, 14-6-1458
- ↑ OFO II #218, 6-5-1454
- ↑ OFO I #440 (testament Dodonea Camminga, 1499)
- ↑ OFO II #82, 13-7-1476
- ↑ P.N. Noomen, 'De familie Cammingha in de middeleeuwen: haar relatie met de stad Leeuwarden en haar positie in Oostergo', in: Leeuwarder historische reeks 6 (1997), p63-64
- ↑ P.N. Noomen, 'De familie Cammingha in de middeleeuwen: haar relatie met de stad Leeuwarden en haar positie in Oostergo', p63-64
- ↑ Jelmera-wapen
- ↑ OFO II, #64, , 27-5-1466
- ↑ OFO I, #326, , 21-2-1483
- ↑ 1818 Dagvaardiging van George Schenk van Tautenburgh, stadhouder-generaal in Friesland, aan Wytzo van Cammingha in het geschil met het huis van Egmond in de persoon van Magdalena van Wierdenburgh, douarière van Egmond, voogdes van Johan van Egmond, inzake de aanspraken van Egmond op Ameland, 20 november 1527 1 stuk, secundair
- ↑ P.N. Noomen, 'De familie Cammingha in de middeleeuwen: haar relatie met de stad Leeuwarden en haar positie in Oostergo', p63-64
- ↑ P.N. Noomen, 'De familie Cammingha in de middeleeuwen: haar relatie met de stad Leeuwarden en haar positie in Oostergo', p63
- ↑ P.N. Noomen, 'De familie Cammingha in de middeleeuwen: haar relatie met de stad Leeuwarden en haar positie in Oostergo', p63-64
- ↑ Swartwoude
- ↑ 'De Riet' en 'Skûtegat'
- ↑ Groot placaat en charter-boek van Vriesland, vol I, baron G.F. thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, 1768
- ↑ Charterboek van Friesland p257
- ↑ 284
- ↑ 351
- ↑ 352
- ↑ 368
- ↑ 425
- ↑ 427
- ↑ 614 = OFO II #64
- ↑ Verslag Blok
- ↑ p219
- ↑ [3]
- ↑ p16-21
- ↑ De staatkundige en rechtsgeschiedenis van Ameland tot deze eeuw, Jan Houwink, 1899
- ↑ p28-29
- ↑ p28-29